[1]

A

Aagt (appel). Nnl. uit aagtappel = nhd. agatapfel m. Ook fr. double agathe komt voor. Dit aagt = Aagt eigennaam < Agatha. Vgl. III griet. Onzeker is ’t op fr. agathe “een tulp-soort” gebaseerde vermoeden, dat agaat-appel als “tulp-appel” is op te vatten, ofschoon tulp-appel “agaatappel” inderdaad voorkomt.

Aaien ww., alleen nndl. Wordt als een dialectische vorm van Kil. haeyen “fovere, colere” beschouwd. Maar dan zouden wij veeleer verwachten, dat deze bet. later voorkwam dan “aaien, streelen”. Het mnl. hayen heeft heel andere bett.: “begeeren, verduren”. Misschien is aaien, fri. aeije “aaien (met de hand of met de wang)” een oorspr. fri.-holl. woord, dat in het beschaafde Ndl. en eenige niet-fri. diall. gedrongen is. Maar ook bij deze hypothese blijft de etymologie duister.

I Aak (vaartuig), mnl. āke, achche m. Kil. kent de vormen aecke, naecke. De vorm zonder n ook in fri. aek “soort visschersschuit”, oostfri. âk(e) “boot met platten bodem”, nhd. dial. achen. De n-vorm is de oudste (vgl. adder, avegaar). Waarschijnlijk is het woord uit een duitsch (ndd.; of oostndl.-rijnsch) dialect door schippers geïmporteerd. = ohd. nahho (nhd. nachen), os. nako, ags. naca, on. nǫkkvi m. “boot, schip”: de k uit oergerm. q is in eenige casus, o. a. waar de verbinding -qn- voorkwam, klankwettig ontstaan. Wellicht ospr. “hout” of “boomstam”. Vgl. dan oi. naga- “boom, berg”, misschien ook gr. ἄβαξ “bord, plank, tafel” (ŋg?), lit. nõglas, nõklas “greep van den degen”, nogna “handvat van het zwaard”. Ook is voor aak een grondbet. “gespleten” aangenomen (vgl. boot), onder vergelijking van lat. novâcula “scheermes”, opr. nagis, lit. tìtnagas “vuursteen”. Dit zou aannemelijker zijn, als een verbum voor “splijten” van de basis nogu- ergens voorkwam. De combinatie met opr. nognan “leder” is zeer onwsch.

II Aak (Spaansche aak = S. eik). Vermoedelijk (in Holland) uit aker “eikel” geabstraheerd. Volgens Kil. zijn aecker “eikel” en aeckerboom “eikeboom” holl. vormen.

Aaks, aks znw., ook a(a)kst onder invloed van du. axt, mnl. aex v. “bijl”. = onfr. acus, ohd. ackus, akis (nhd. axt), os. akus, ags. æx (eng. axe), north. acas, on. øx, got. aqizi v. “bijl”, germ. *akwizjô- (i uit e), *akusjô-, *akus-. Verwant met lat. ascia (*acsia), gr. ἀξῑ́νη “bijl”.

I Aal (visch), mnl. ael m. = ohd. âl m. (nhd. aal), os. âl, ags. æ̂l (eng. eel), on. âll m. “aal”. Etymologie onzeker. De combinaties met den vischnaam ohd. alunt, os. alund, on. ǫlunn m. en met het tweede lid van gr. ἔγχελυς “aal” zijn zeer onzeker, eveneens de afl. van germ. *êla- uit idg. *êd-lo- “de vreter” of “de eetbare”, van den wortel ed- (zie eten). Vgl. veeleer on. âll m. “geul, gleuf”, âl v. “riem, teugel”, oi. âlī- “lijn, streep”. De oorspr. bet. van aal was dan “lang, smal ding”.—Aalgeer znw. Zie elger.

II Aal (els, priem), sedert Kil. De toevoeging “Germ. Sax.” bij dezen wijst op ontleening van dit in ’t. Ndl. ongewone woord uit mnd. âl, mhd. âle v. (nhd. ahle) “els, priem”; dit znw., reeds ohd. âla v., = oi. ā́râ- “els, priem”, idg. *êlâ-. Ablautend met de onder II els besproken woorden met germ. a uit idg. o. Het verwante ags. æ̂l, âl “id.” is m. Ags. awel m. “haak” (eng. awl “els, priem”) is een heel ander woord. Het ligt voor de hand met aal lit. ýla “els, priem” in verband te brengen, ofschoon het vocalisme niet klopt (ê uit êi, ablautend met î is slechts een laatste toevluchtsmiddel voor etymologen!). Alle andere combinaties zijn nog onzekerder. [2]

Aalbes, aalbezie znw. De laatste vorm reeds mnl. en bij Kil.: aelbesie “acinus ribis, acinus ultramarinus”. = mnd. albēre v. “zwarte aalbes”. In het Du. komt ook alantbeere v. “id.” voor, dat met alant is samengesteld (zie alant). Deze naamgeving berust op overeenkomst in smaak. Wellicht mogen wij in het eerste lid van aalbes een oude kortere benaming van deze plant zien; vgl. spa. port. vulgairlat. ala “alant” (reeds bij Isidorus als volksnaam van de plant). De samenstelling is in de latere M. E. ontstaan; vroeger kwamen in Europa geen aalbessen voor. Voor ’t tweede lid vgl. bes.

Aalmoes znw., mnl. aelmoes(s)ene, al(e)moes(s)ene v., ook reeds aelmoes(s)e. Deze vorm is wellicht in ’t Mnl. uit aelmoes(s)ene ontstaan (vgl. droesem) en staat dan in geen genetisch verband met os. al(e)môsa v., on. ǫlmusa v. (uit het Duitsch) “aalmoes”. De mnl. vorm met ss leeft nog voort in vla. aalmoese (niet -ze), mv. -sen. De bijvorm mnl. vroeg-nnl. aelmis(se), met klinkerverzwakking na den hoofdtoon, schijnt vooral in Holland te zijn voorgekomen; vgl. hiermee owfri. ielmisse, mnd. almisse (almese). Al deze vormen benevens ohd. alamuosan o. (nhd. almosen), ags. ælmesse v. (eng. alms) “aalmoes” zijn ontleend uit rom. *almos(i)na, waaruit ook ospa. prov. almosna, ofr. almosne (fr. aumône) en ier. almsan “aalmoes” zijn ontstaan. Almosina is een bijvorm van lat. eleêmosyna < gr. ὲλεημοσύνη ospr. “medelijden”, later “aalmoes”. Uit den ohd. bijvorm elemosyna, elimosina blijkt, dat in de ohd. periode de Latijn-kennende Duitschers zich van den oorsprong van het woord bewust waren.—Aalmoezenier znw., reeds mnl., is evenals de vla. bijvorm met s een afl. van aalmoes naar ’t model van mlat. eleemosynârius, fr. aumônier, evenals het mnl. v. znw. aelmoesniere “aalmoestasch” naar mlat. eleemosynâria, fr. aumônière. De mnl. vorm almoniere is uit het Ofr. overgenomen.

Aalt znw., dial. zuid-ndl. ook aal, ale. Vgl. du. (hd. en nd.) dial. adel, mnd. ādel (addel, eddel, iddel; dezelfde bijvormen ook nnd.), fri. ael (zeldzaam), Hindel. aeld “gier, aalt”, ags. adela, adel m. “vuilnis, riool”, ozw., nog dial. zw. adla, ala “pissen”. Doordat het woord noch uit het westelijke Mnl. (de Teuth. vermeldt adel “poel, modder”) noch uit Kil. bekend is, is de beoordeeling van de nndl. vormen moeilijk. Wellicht aal uit *ādel, aalt uit aal met een jongere t. Men heeft gr. ἄσις “rivierslijk” (*ἄτις) vergeleken, waarvoor echter ook andere verklaringen mogelijk zijn.

Aam znw. o. Uit mnl. âme (v.?) “aam (vochtmaat)”. Op â wijst nog aom(e) in de saks. diall. = mhd. âme, ôme v. m. o. (nhd. ohm m. o.), mnd. âm(e), westf. åm, ofri. aem, eng. awm, ijsl. âma v. “aam, maat (vooral voor wijn)”. Ontl. uit mlat. ama “vat, wijnmaat” en dit uit gr. ἄμη “emmer”. In het Ndl. is de bet. “ton” jonger dan “vochtmaat”.

Aambei znw., sedert de 17de eeuw bekend. De oudste vormen zijn anbei, aenbei; hieruit ontstond ambei, aambei. Het tweede lid is bei “bes”, zie aardbei. Het eerste lid is onverklaard (aan??). In het Ohd. komt voor: angweiʒ(ʒo) m. “puist, blaar”, angesëʒʒo m. “bloedzweer”, evenzoo ook os. angsëta v., ags. ongsëta m. (ongsët m.?) “zweer, puist”, ongnægl m. “eksteroog” (eng. agnail), ofri. ongneil, -nîl m. “verzweerde nagel”. Met dit aŋg- (dat met gr. ἀχώρ “schurft”, russ. úgor′ “puist”, eventueel ook met obg. jędza “ziekte” e. a. woorden kan samenhangen; minder wsch. is identiteit met eng) heeft men het eerste lid van aambei geïdentificeerd: dat zou alleen aannemelijk zijn als ’t woord zeer oud was, maar dit is niet wsch. wegens het late voorkomen en het uit het Fr. ontleende tweede lid.

Aamborstig bnw. Deze vorm reeds in de 17e eeuw naast an-, am-, aen-, engborstig. Kil. kent amborstich (Holl.) en ademborstich dat als een proeve van 16de-eeuwsche etymologie te beschouwen is, de Teuth. an-, am-borstich. Amborstig komt dial. nog voor, aam- zal wel aan invloed van aam uit adem zijn toe te schrijven. Het eerste lid is oorspr. aŋg- “eng” (zie eng en vgl. voor de klankontwikkeling gember),[3] zoodat het woord letterlijk “engborstig” beteekent, vgl. hd. engbrüstig, en mnd. amborst “aamborstigheid”, amborstich, de. angbrystet “aamborstig”, ags. angbrêost, zw. bröstång “aamborstigheid”.

Aamt (zwelling van den uier), nog niet bij Kil. Met jongere t = fri. aem “id.” Men heeft aan verwantschap met on. ama “pijn doen” gedacht.

Aan voorz. en bijw., mnl. āne, aen, waarnaast mnl. nnl. an, de gewone spreektaalvorm. = onfr. an (voorz.), ana- (prefix), ohd. ana (nhd. an), os. an, ana-, ofri. an, ana, ags. (eng.) on, on. â (*an), got. ana. Germ. *an en *ana “aan, in, op” zijn beide uit idg. *ana ontstaan, germ. *ana is de “inlaut”-vorm. = ier. an- (prefix), lat. an- (id., o. a. in anhêlo “ik hijg”), gr. ἀνὰ, ἄνα, “langs iets naar boven”, av. ana “over—heen”. Vgl. nog obg. “in” en gr. ἄνω “naar boven”, obg. na “op”, lit. nů̃ “van”, anót(e) “overeenkomstig” oi. ánu “na, naar, overeenkomstig”, nédîyas-, av. nazdyah- “nader”.

Aanbeeld, ook, met assimilatie der n, aambeeld znw. o. Uit mnl. aenbelt, ānebelt, -bilt(t) o. (m.?) = mnd. ānebelte, -bolt, ambolt o. m. “aanbeeld”. De ee en d van het nnl. woord zijn aan invloed van beeld toe te schrijven. Veel diall. hebben nog de korte vocaal. Dit woord mag niet gescheiden worden van het dial. (o. a. limb.) mnl. anvilte, ānevilt, dat dial. nog voortleeft, = westf. ānefilt, ags. anfilte o., anfilt, anfealt v. (eng. anvil), ablautend met ohd. anevalz “aambeeld”. De ndd. ndl. b wellicht naar mnd. ānebôt, onfr. *anabôt. ’t Eerste lid is aan, het tweede wordt met ohd. (nhd.) falzen “samenvoegen, plooien”, lat. pello “ik breng in beweging” (*peldo) gecombineerd, waarbij nog vilt gebracht wordt. Ook zijn nog vergeleken zw. dial. filta “houwen, slaan” en oi. paṇḍa-, -aka-, -ra-, -u- “eunuch”. Een dergl. formatie als aanbeeld is ohd. anabôʒ (nhd. amboss) m., mnd. ānebôt “aanbeeld”, van ohd. bôʒan = ags. bêatan, on. bauta “slaan, stooten”; vgl. bij II bot. Wellicht zijn mnl. anvilte enz. en ohd. anabôʒ beide naar lat. incûs, een afl. van in en cûdo “ik sla, smeed” gevormd. Zeer opvallend is dan echter het ontbreken van een germ. *feltanan of *faltanan met dezelfde bet. als *ƀautanan.

Aanbidden ww. Het mnl áenbidden was een scheidbaar samengesteld ww. (als aanroepen, aanspreken) en beteekende gew. “precari”. Met de bet. “adorare” kwam het zwakke aenbēden voor (zie bidden), evenals ohd anabëtôn (nhd. anbeten), mnd. anbēden, owfri. *onbidda (praet. baeden oen) een vertaling van lat. adorare.

Aandacht znw. De mnl. vorm aendachte v. “gedachte aan iets, aandacht, godvruchtige overpeinzing” (15e eeuw) heeft een onoorspr. -e. Gevormd naar mhd. andâht v. m. “id.” (reeds ohd. anadâht v. “aandacht”) (nhd. andacht); ook mnd. andacht v. “gedachte aan, aandacht, plan, herinnering”.

Aandoening znw., aandoenlijk bnw., nog niet bij Kil. [Mnl. aendoeninghe v. = “het brengen van iemand anders in een zekeren toestand of stemming”] Deze woorden bestaan alleen op het ndl. en aangrenzende deelen van het du. taalgebied, bijv. oostfri. andôning, naast andôn(t), en andônlik. Afgeleid van het ww. aandoen, oostfri. andôn “dolore afficere”, dat in deze bet. in het Mnl. en bij Kil. nog niet voorkomt. Wellicht zijn dit aandoen benevens aandoening, aandoenlijk ospr. geleerde woorden, ontstaan onder invloed van lat. afficere “aandoen”, affectus “gemoedsstemming, aandoening”.

Aangaande voorz., mnl. aengaende. Ospr. deelw. van aangaan “betreffen”, vgl. de voorzz. rakende, betreffende, nopens (zie aldaar), fr. touchant, vooral de. angaaende “aangaande”.

Aangenaam bnw., later-mnl. aenghenâme “liefelijk, welgevallig”. In de plaats gekomen van mnl. ghenâme “aangenaam, welgevallig”; vgl. nhd. angenehm. mhd. genæ̂me, laat-ohd. ginâmi “id.” Vgl. verder mnd. genême “welgevallig, aannemelijk”, on. næ̂mr “aannemelijk”, got. andanems “aangenaam”. Dehnstufige formatie bij nemen, vgl. bekwaam.

Aangezicht znw. o., mnl. (zeldzaam) aenghesichte o., een contaminatievorm van aensichte en ghesichte o., die beide o. a. “gelaat, uiterlijk” en “aanblik” beteekenen[4] en ook in andere wgerm. diall. voorkomen. Vgl. ook mnd. angesicht “het zien, gelaat”, mhd. angesiht o. “aanblik, gelaat” (nhd. angesicht). Een archaïstisch woord is ndl. aanschijn o., uit mnl. aenscijn o. “uiterlijk, gelaat”, ook “aanblik”, = mnd. anschîn o. “aangezicht”, een ndd.-ndl. afl. van schijnen. Meer verbreid zijn afll. van de germ. basis wlit- “zien” met de bet. “aangezicht, gelaat”: onfr. anliton “vultus, faciem”, ohd. antlizzi o. (nhd. antlitz; naast ohd. antlutti), ofri. ondlëta, ags. ondwlita m., on. andlit o.; hierbij ook got. andawleizn o. “aangezicht”, ofschoon de formatie niet klaar is.

Aangezien voegw., ospr. deelw. van aanzien. In het Mnl. komt aen(ghe)sien dat reeds als voegw. voor, aen(ghe)sien als voorz., naar ’t model van lat. resp. ofr. absolute constructies als ofr. veue la deposicion.

Aanklampen ww., sedert de 17e eeuw. Afl. van klamp, waarvan ook het simplex klampen. Eig. “met klampen aanhechten”.

Aanlangen ww., sedert Kil. = “aanreiken”. Mnl. aenlanghen = “zich wenden tot, aantasten, aanvallen”. Een samenstelling van mnl. langhen “aanreiken, halen, voor den dag krijgen”, dat dial. (Zeeuwsch, Antw., vla.) = “aanreiken, halen, wegnemen” nog voorkomt. Dit is een afl. van lang, die ospr. ”(zich) uitstrekken, reiken” beteekend heeft, vgl. ohd. galangôn “reiken, verkrijgen” (nhd. langen en samenstt.), mnd. langen “aanreiken, erlangen”. Zie ook erlangen, verlangen.

Aanlengen ww., eerst jonger-nnl. Van lang; vgl. ndl. lang nat “slap, krachteloos vocht”, hd. lang(er kaffee, -e brühe) “dun”.

Aanmatigen (zich) ww. In de plaats gekomen voor het 17-eeuwsche zich aanmeten “zich toeëigenen”, eig. “zich toemeten”, vgl. mnl. aenmēten “toemeten, toekennen”. Wsch. heeft invloed van hd. sich anmassen “zich aanmatigen”, vroeger “zich toeëigenen” gewerkt; hiervan komt de. anmasse sig “zich aanmatigen”. Vgl. ook mnd. sik ānemâten “zich toeëigenen”.

Aanminnig bnw., mnl. āneminnech “aanminnig, welgevallig”. Van aan en I min. In het oudere Nnl. bestond ook aanminlijk.

Aanranden ww., mnl. aenranden “aanranden, aanvallen”. Bij rand gevormd, evenals Kil. ”aenboorden. Holl. Appellere” bij boord en fr. aborder “aanklampen” bij fr. bord. Het laat-mnl., 16- en 17-eeuwsche synoniem aanransen, -zen zou een ndl. s-afl. kunnen zijn. Waarschijnlijker is duitsche oorsprong, vgl. mhd. ranzen “onrustig rondspringen”, ranz m. “strijd”, (Teuth. ranssen “worstelen”?), nhd. anranzen “woest op iemand losgaan” met hd. z uit t, vgl. zw. dial. rannta, noorw. ranta “doelloos rondloopen”, een afl. van den stam van rennen. Of mnl. ranten “kletsen, babbelen”, zw. dial. rannta “leuteren” hetzelfde woord is, is onzeker. Met ’t oog op eng. to rant met de overgangsbet. “uitvaren, uitgelaten zijn” mag dit vermoeden niet zonder meer van de hand gewezen worden.

Aanschijn znw. o. Zie aangezicht.

Aanstalten znw. mv., eerst laat-nnl. Evenals de. zw. anstalt ontl. uit nhd. anstalt v., dat zich in bet. bij anstellen “inrichten, gereedmaken” aansluit. Het zeldzame enk. aanstalte is blijkens de slot-e wsch. eerst uit het mv. geabstraheerd.

Aanstonds bijw., nog niet bij Kil. Evenals dikwijls, doorgaans, elders enz. met een bijwoordelijke s. Het Mnl. kende de adverbiale uitdrr. aenstonden, aen dēsen stonden, aen corte stondenaanstonds”.

Aantal znw. o., eerst sedert de 18de eeuw. Vermoedelijk naar hd. anzahl v. gevormd. In het Mnd. komt reeds antal m. “getal, aandeel” voor, vgl. mnl. aentāle v. “aandeel”. Zie getal, tellen.

Aantijgen ww. In het oudere Nnl. en dial. ook betijgen, optijgen. Samenstellingen van tijgen, een analogisch opgekomen vorm voor mnl. tîën (: teech, ghetēghen) “iets van iemand zeggen, toeschrijven, beschuldigen;” (aen)tîghen komt reeds mnl. voor. Mnl. tîën = ohd. zîhan “beschuldigen” (nhd. zeihen), os. af-tîhan “weigeren”, ags. têon “beschuldigen”, on. tjâ (zwak) “toonen”, got. ga-teihan “verkondigen”; buiten het Germ.: ier. dodêcha “laat hij zeggen”,[5] lat. dîco “ik zeg”, gr. δείκνῡμι “ik toon”, oi. diçáti, dídeṣṭi, diçyati, deçayati “hij toont”. Hierbij nog uit het Germ. ohd. zeigôn “toonen” (nhd. zeigen), on. tîginn “aanzienlijk”, tîgn v. “rang, aanzienlijke persoon”. Vgl. betichten.

Aanvaarden ww., mnl. aenvaerden, aenve(e)rden “den tocht ergens heen aanvaarden, naderen tot, aantasten, aanvallen, ondernemen, in bezit nemen”. Een afl. van aan + vaart, stam *farði-. Mnl. aenve(e)rden, dial. nnl. (vel.) anvêrdən wijst op een grondvorm *anafardian; zoo ook mnd. anverden “aanvallen, arresteeren”. Tot een andere conjugatieklasse behoort ohd. anafartôn “gaan naar, aanvallen”. Het Mnl. kent ook aenvaerdighen “aantasten, in bezit nemen” = mnd. anverdigen (naast anverden), mhd. anvertigen “aanvallen”.

Aanvallig bnw., eerst nnl. Het znw. aanval “bevalligheid” reeds bij Bredero. Sluit zich bij een dial. (N. Holl.) aanvallen “bevallen, aanstaan” aan evenals bevallig bij bevallen.

Aanvangen ww., mnl. aenvaen, aenvanghen “aangrijpen, aanvaarden, ondernemen, beginnen”. Ohd. anafâhan (nhd. anfangen) beteekent reeds “beginnen”. In deze bet. heeft aanvangen zich in de ndl. schrijftaal zeer uitgebreid onder invloed van hd. anfangen. Vgl. voor de bet. bij beginnen, voor den vorm bij vangen.

Aanwezig bnw. Evenals het minder gewone aanwezend in de nndl. periode gevormd als oppositum van afwezig, -end. Kil. kent af-wesigh “absens”, af-wesen “abesse”. Reeds laat-mnl. bestond afwēsen “abesse”, waarvan afwēsinghe v. “absentia”. Deze woorden zijn wsch. vertalingen uit het Lat.

Aap znw., mnl. āpe, aep m. = ohd. affo (nhd. affe), os. apo, ags. apa (eng. ape), on. api m. “aap”. Een vorm met p ook in het Slav.: oudruss. slov. opica, čech. opice, sorb. vopica “aap”, wellicht uit het Germ. ontleend. Als in de Hesychius-glosse ὰβρανας Κελτοὶ τοὺς κερκοπιθήκους *ἀβ(β)ανας gelezen moet worden, zou men aan ontleening van germ. *apan- uit het Kelt. (vóór de klankverschuiving!) of desnoods aan oerverwantschap kunnen denken. Wsch. is het germ. woord ontleend, maar de oorsprong is niet bekend. Men heeft o. a. aan samenhang met oi. kapí-, gr. κῆπος, egypt. kefu “aap” gedacht (onwaarsch.) Voor een jonger leenwoord voor “aap” zie scharminkel. Het vr. znw. apin, mnl. āpinne = ohd. affin, affinna (nhd. äffin), on. apynja (naast on. apa) v. “apin”.

I Aar znw., mnl. aer o. en v. Het v. znw. is uit den ouden pluralis die aer te verklaren = ohd. ahir, ehir o. (nhd. ähre v.), os. ehir o. (aarin bnw. “uit aren bestaande”), ags. êar m. o. (*ahuz-; naast north. dat. æhher, eher, stam *ahiz-) (eng. ear); met gramm. wechsel on. ax, got. ahs o. “aar”. Een idg. woord = lat. acus o. “bolster, kaf”. Een afl. van den bij II eg besproken wortel ā̆k̂- “scherp, puntig zijn”. Vgl. vooral vla. echel “angel aan ’t kaf van zekere grasgewassen”, mv. echelen “kaf van stroo”, ohd. ahil (nhd. achel) v. “punt van een aar”, oudnhd. agel, egel “arista, palea, festuca”, ags. egle v. “punt, baard (van een aar)”, zw. dial. egel, ägel “puntig opgroeiend plantje”, got. ahana v., on. ǫgn, ohd. agana, ags. egenu v. “kaf”, lat. agna “aar” (*acnâ), gr. ἄχνη “kaf” (*ἄξνᾱ. Of met ἄχυρον “kaf” verwant?). Lit. aků́tas, opr. ackons “baard van een aar” hebben een afwijkende gutturaal, vgl. bij I en II eg over de wortels ā̆k- en oq-.

II -aar, zwakke vorm -er, suffix tot vorming van znww., mnl. -(e)re, -er, -âre, -aer m. Alg. germ.: onfr. -ere, ohd. -âri (nhd. -er), os. -ari, -eri, ofri. ags. -ere (eng. -er), on. -ari, -eri, got. -areis m. Ontl. uit lat. -ârius. De vorm -aar is in het Nnl. verbreider dan in het Mnl., waar -(e)re, -er meer overheerscht. Vgl. II -aard.

I Aard znw., mnl. aert (d). Met vocaalrekking voor r + dentaal evenals aarde, baard, baars enz. Mnl. aertm. (laat-mnl. ook v.) beteekent “bebouwde grond, land in tegenstelling tot water, landstreek, plein of werf, markt, kade, veldvruchten, afkomst, geslacht, geaardheid, hoedanigheid, manier van doen”. Vgl. ohd. art v. “het ploegen” (waarvan artôn “bebouwen, bewonen” = onfr. os. ardon “bewonen”, ags.[6] eardian “wonen”), mhd. art m. v. “afkomst, geaardheid, manier” (nhd. art v.), os. ard (v. m.?) “woonplaats”, mnd. art v. “het ploegen, land, afkomst”, ags. eard m. “woonplaats, vaderland”, earð, ierð v. “het ploegen, veldvruchten”, on. ǫrð v. “oogst, opbrengst”. Wij hebben hier te doen met eenige verschillende formaties van de basis ar- “ploegen”, gedeeltelijk met germ. þ, gedeelt. met ð, deels m., deels v. De bet. “aard” laat zich uit “vaste woonplaats” verklaren (vgl. wonen: gewoon, gewoonte) en deze bet. weer uit “beploegd land, het ploegen”. Het is geheel onnoodig wegens de blijkbaar jonge bet. “geaardheid” een deel van de aangehaalde vormen van ar- “ploegen” te scheiden en met lat. ars “kunst, vaardigheid”, arm. ardar “rechtvaardig”, oi. ṛtá- “regel, gewoonte”, als bnw. “juist, gepast” te verbinden (idg. wortel ar- “samenvoegen”; vgl. I arm). Ar- “ploegen”, waarvan in ’t Germ. mnl. ēr(i)en, (be)ploegen”, ohd. erien, mnd. ēren, ofri. era, ags. erian, on. erja, got. arjan “ploegen” benevens on. arðr m. “ploeg” komen, is alg.-eur. en arm. (vgl. akker): ier. airim, lat. aro (-âre), gr. ἀρόω, obg. orją, lit. ariù “ik ploeg”, ier. arathar, lat. arâtrum, gr. ἄροτρον, obg. ralo, lit. árklas, arm. araur “ploeg”. Verwantschap van aard met obg. rodŭ “geslacht”, arm. ordi “zoon” is ten onrechte vermoed.

II -aard, met den zwakkeren bijvorm -erd, nominaalsuffix, reeds mnl. Ontl. uit fr. -ard (in grognard, richard enz.), dat zelf weer van germ. oorsprong is. De suffixen -aar, -er en -aard, -erd loopen in het Nnl. door elkaar.

Aarde znw., mnl. aerde, eerde (dial. nog eerde), met ae, ee door rekking voor r + dentaal (vgl. aars). = onfr. ërtha, ohd. ërda (nhd. erde), os. ërtha, ofri. ërthe, ags. eorðe (eng. earth), on. jǫrð, got. aírþa v. “aarde”. De dentaal is formantisch, vgl. ohd. ëro m. “aarde”, on. jǫrfi m. “zand” en buiten ’t Germ. gr. ἔραζε “op den grond”, arm. erkir “aarde, land”.—Aardappel znw. In dezelfde bet. ook nd. erdappel, hd. dial. erdapfel m., noorw. jutl. jordæble, zw. dial. jordäple, fr. pomme de terre. Mnl. mnd. erdappel, ohd. ërdaphul, ags. eorðæppel m. werden voor verschillende andere gewassen, nl. varkensbrood, meloen, komkommer of mandragora-vrucht gebruikt, de. jordæble = “helianthus”. De aardappel is eerst in 1565 in Europa geïmporteerd.—Aardbei znw., naast zeldzamer aardbezie. Het laatste is uit aarde en bezie samengesteld, het eerste uit aarde en bei “bes”, mnl. baye v. “bes”, uit fr. baie en dit van vulgairlat. baca (= bacca) “bes”.

Aarden ww. Een reeds mnl. mhd. mnd. afl. van I aard.

Aardig bnw., sedert het laat-Mnl. Kil. vertaalt “ingeniosus, solers, argutus, venustus, elegans”. In het oudere Nnl. vooral = “beleefd, heusch” en “kunstig”, dial. nnl. “eigenaardig, vreemd” (evenzoo in du. diall. artig, ook zw. artig wordt zoo gebruikt). Een afl. van I aard evenals mhd. ertic “edelaardig”, nhd. artig “gepast, aardig”, mnd. ardich “voortreffelijk”.

Aars znw., mnl. aers, e(e)rs m. De oudnnl. en dial. bijvorm naars, met anorganische n, is in verbindingen als enen (ən), den (dən) aers (eers) ontstaan; vgl. oom. De mnl. vormen ers, eers m., nnl. dial. eers wijzen er op, dat de vocaal, die voor r + dentaal (zie aard) gerekt is, òf a met volgenden umlautfactor òf e geweest is. Het laatste is 't waarschijnlijkste. Ndl. aars, mnd. ërs m. “aars” hebben dan hetzelfde vocalisme als ier. err (*ersâ-) “staart” en staan in ablaut met ohd. ars (nhd. arsch), mnd. ars (os. in arsbelli “billen”), ags. ears (eng. arse) m., on. ars, rass m. “aars, achterste”, gr. ὄρῥος “stuit, achterste”, οὐρά “staart”, arm. oṙ “achterste”. Ofri. ers-knop “stuitbeen” kan germ. e of a hebben. De verdere op de bet. “uiteinde, punt” van ier. err gebaseerde combinatie van de geciteerde vormen met oi. ṛṣáti “hij stoot, steekt” is reine fantasie.

Aarts- in samenstellingen als aartsbisschop, aartsengel, later ook aartsbedrieger enz. In het Mnl. erts-, a(e)rts- e. a. vormen, grootendeels (volksetymologisch, naar aarde, aardsch) met d en sce gespeld. Evenals ohd. erzi- (alleen erzibiscof), mhd. erz(e)- (nhd. erz-), mnd. erse-, ofri. erze-, arse-, ags. ærce-,[7] erce- (waaruit on. erki-; ags. arce- kan een jongere latiniseering zijn, zooals wij die ook in andere talen vinden; eng. arch-) uit mlat. of rom. arci- en dit uit gr.-lat. archi- “eerste, voornaamste”, vooral in kerktaal gebruikelijk. Voor de palataliseering van c vgl. kruis. Het Got. heeft arkaggilus m. “aartsengel”. Vgl. arts.

Aarzelen ww., mnl. e(e)rselen a(e)rselen “terugwijken” naast eersen “id.”. Deze oudere bet. komt bij Bilderdijk nog voor. Een afl. van aars evenals fr. reculer van cul. Vgl. bei. sich arsen “terugwijken”, oostfri. ä̂rs(s)eln “aarzelen”. Met het nu niet meer gebruikelijke ndl. bijwoord aarzelings “achteruit” vgl. fri. earsling bnw. “verkeerd”, hd. ärschlings “achteruit”, mhd. erslingen “id.”.

I Aas (voedsel, kreng) znw. o., mnl. aes o. = ohd. âs (nhd. aas), mnd. âs (os. angul-âs), ags. æ̂s o. “spijs, aas”, germ. *êsa- uit *êssa en dit uit idg. *êd-to- of *êd-so-, een afl. van den wortel ĕd- “eten”, zie eten. Met *êd-to- vgl. het deelwoord lat. êsus, en ier. eisse “gegeten” (*ed-tio-), gr. ᾱ̓́ρι στο-ν “ontbijt”, met *êd-so- vgl. lat. êsca “spijs” en lit. ėska ”'t vreten, lokaas” uit *êds-qâ-, evenals obg. jasli “krib” een afl. van den s-stam *êd(e)s-, waaruit ook lit. ė́des-is “het vreten” ontstaan is. Naast aas bestaat een dial. (vla.) aat, mnl. aet o. m., âte v. “spijs” = onfr. ât o., ohd. âʒ (nhd. aas “veevoeder”), os. ât o., ofri. êt (o.?), ags. æ̂t m., on. ât o. “spijs”, in sommige diall. ook “het eten”. Van de andere idg. langvocalische vormen vgl. vooral obg. jadĭ, lit. ė̃dis “spijs”.

II Aas (gewicht en de één in ’t spel), gew. o., mnl. aes o. met dezelfde beteekenis. Ontl. uit ofr. dial. ais (fr. as), dat weer ontstaan is uit lat. as (gen. assis), een munt en gewichtsnaam. Nhd. as o. komt uit het Fr., mhd. esse o. uit mlat. assis (= as), eng. ace uit het Fr.

Abdij, abdis. Zie abt.

Abeel znw., mnl. abeel, ook aubeel m. Evenals mnd. abêle “populier, abeel” (waaruit nhd. abele v.), eng. abele “abeel” uit ofr. aubel, albel, dat teruggaat op lat. albellus, een afl. van albulus en dit van albus “wit”. De a van de germ. vormen is vóór den toon uit au- ontstaan of van albel is de eerste l door dissimilatie verdwenen. Ohd. albari m. “populier” (nhd. alber v.) is uit rom. it. albero (uit albulus) ontleend.

Abnormaal bnw., eerst laat-nnl. Uit fr. anormal ontstaan onder invloed van lat. abnormis.

Abrikoos znw., nog niet bij Kil. Ontl. uit fr. abricot, evenals eng. apricot. De uitgang zal wel aan den invloed van framboos zijn toe te schrijven (anders Horn PBrB. 23, 254, Salverda de Grave, De fra. woorden 321). Uit het Ndl. komt hd. aprikose v., de. aprikos. De 16- en 17-eeuwsche ndl. vorm abrikok is het spa. albaricoque, port. albricoque. De rom. vormen zijn uit arab. al-barqûq, al-birqûq ontstaan, dat via mgri. πρεκόκκιον (e. a. vormen) op lat. praecox, praecoqua, letterlijk “de vroegrijpe (perzik)” teruggaat.

Abt znw., mnl. abbet, abt (d en t) m. Gaat op rom. *abbâde, lat. abbâtem terug, evenals ohd. abbat (nhd. abt), mnd. abbet, ofri. abbet, ebbete, ags. abbod (eng. abbot), on. (uit het Wgerm.) abbati (en âbôti) m. Voor de accentverplaatsing vgl. II deken. Lat. abbas, -âtis, gr. ἄββας gaan op syr. abbâ “vader” terug.—Abdij znw., mnl. ab(e)dîe v. Uit rom. *abbădia (lat. abbâtia). Evenzoo ohd. abbateia v. (t uit d; of direct uit mlat. abbatia; nhd. abtei), mnd. ab(be)dîe v.—Abdis znw., mnl. ab(b)edesse, abdisse v. Uit rom. *abbā̆desse (lat. abbâtissa). Vgl. ohd. abbatissa (nhd. äbtissin), os. abdiska, ags. abbadisse, on. abbadîs v.

Abuis znw. o. en bnw., mnl. abuus znw. o. “vreemde zaak, verwarring, fopperij”. Uit fr. abus “misbruik, dwaling” en dit uit lat. abûsus “verbruik, misbruik”.

Acacia znw., nog niet bij Kil. Dit ook in andere talen voorkomende woord is het lat. acacia, uit gr. ἀκακία.

Accijns znw., eerst nnl. De mnl. vorm assîse v. “belasting” gaat terug op ofr. assise, uit mlat. assisa, assisia (van adsidêre gevormd) “rechtszitting, daar genomen besluit, prijs- of belastingverordening, belasting”. Het fr. accise “belasting” (mlat. accîsia, wsch. van accîdere “snijden” en dus in oorsprong van assisia verschillend) deed ndl. accijs[8] opkomen, dat onder invloed van cijns een n aannam.

Accuraat bnw., nog niet bij Kil. Uit lat. accûrâtus.—Accuratesse znw. Uit it. accuratezza.

Ach tusschenw., mnl. ach. Onomatopoëtisch, evenals ohd. ah, nhd. ach, de. ak, russ. ach, lat. ah, mnl. wach enz.; zie och.

I Acht (a. slaan, geven, in a. nemen), mnl. oudnnl. achte (acht) v. “opmerkzaamheid, overleg, beraad, meening”. = ohd. ahta v. “opmerkzaamheid, oordeel” (nhd. acht), mnd. achte v. “opmerkzaamheid, achting, overleg, besluit, corporatie, rechtsdistrict”, ofri. achte v. “voorstel over een vonnis”, acht v. “gerechtshof”, ags. eaht v. “beraadslaging”. Hierbij de ww. achten, mnl. achten “overleggen, geven om, meenen, besluiten, schatten”, (onfr. ahtinga v. “numerum”), ohd. ahtôn (nhd. achten), os. ahton “letten op, overwegen”, ahtian “houden voor”, ofri. achtia “overleggen”, achta, echta “een rechtsoordeel uitspreken, taxeeren, verdeelen, als betaling geven”, ags. eahtian “overwegen”, eahtan “beoordeelen”, on. æ̂tla (*aχtilôn) “meenen”, misschien ook met prefix ʒa-: on. gæ̂ta “passen op, hoeden”. De t is formantisch blijkens got. aha m.“geest, verstand”, ahjan “meenen”, ahma m. “geest”, waarbij eventueel nog on. “acht geven”. Een got. t-formatie heeft men in fris-ahts v. “beeld, voorbeeld” willen zien (onwaarsch.). Verwantschap met den wortel oq-, “zien” (zie oog) is wegens got. aha (en niet *ahwa) onaannemelijk, de combinatie met gr. ὀκνέω “ik talm” is mogelijk, maar onzeker.

II Acht telw., mnl. achte. = ohd. os. ahto (nhd. acht), ofri. achta, acht(e), ags. eahta, on. âtta, got. ahtan. Alg. idg. evenals alle telwoorden van 2 tot 10: ier. ocht, lat. octo, gr. οκτώ, obg. osmĭ (substantivische afl.), lit. asztůnì, arm. utʿ, oi. aṣṭā́(u). Idg. *ok̂tô(u) is ospr. een dualis = “2 viertallen”.—Achtste rangtelw., eerst nnl. Mnl. achtende is naar sēvende, nēghende gevormd, evenzoo mnd. achtende, ofri. achtunda, -enda, on. âttundi, -andi. Oudere vormen zijn mnl. acht(t)e, ohd. os. ahtodo (nhd. achte), ofri. achta, ags. eahtoða (eng. eighth), on. âtti, got. (afwijkend) ahtûda, maar ook deze formatie gaat niet op ’t Idg. terug.

Achten. Zie I acht.

Achter bijw. en voorz., dial. (Zaansch) after, mnl. achter (after), ook (evenzoo nnl. dial.) van tijd gebruikt: “na”. = onfr. after, -ir “achter, overeenkomstig”, ohd. aftar, os. aftar, ahter, ofri. efter, ags. æfter (eng. after) “na, achter, overeenkomstig, verspreid over, daarna”, on. aptr, got. aftra “wederom, terug”, een afl. van af, evenals de bij echter vermelde woorden e. a.—Hierbij de superlatief achterst bnw., mnl. mnd. achterst “achterst, laatst”, ofri. eftrost “achterst”; vgl. met een ander suffix got. aftuma, aftumists, “de laatste”.

Achterbaks bijw., mnl. achterbaecs “achter den rug, in ’t geniep”. Met een bijwoordelijke s (zie aanstonds) uit *achter bak(e) = achter rugghe(s) “id.”; evenzoo mnd. achterbākes, fri. efterbeks, -baks. Vgl. ook os. under bak “achteruit, terug”, ags. underbæc, underbæcling “achteruit”. Het tweede lid is ’t reeds in ’t Mnl. verouderde germ. *baka- “rug”, ohd. bah, os. bak o., ofri. bek m., ags. bæc (eng. back; het bijw. back “terug” uit ags. on bæc). on. bak (de. bag voorz. bijw. “achter”, zw. bak bijw. “achter” = on. â bak, at baki) o. “rug”. Verwant met mnl. bāke m. “zijde spek, geslacht varken”, v. “levend varken”, ohd. bahho m. “ham”, nhd. bache v. “wilde zeug”, mnd. bāke v. “zijde spek, ham” (uit het Du.-Ndl. ofr. bacon > eng. bacon “zijde spek, ham”) en mhd. arsbacke m. “bil” (nhd. arschbacken). Niet wsch. is verwantschap met oi. bhaga- “vrouwelijke schaamdeelen”. Obg. bokŭ “zijde” kan uit het Germ. ontleend, maar niet met *ƀaka- verwant zijn. Verwantschap met den bij beek besproken wortel is mogelijk, maar zeer twijfelachtig; waarschijnlijker is de combinatie met ier. bacc “haak, kromme stok” (cc uit gn), russ. bagór “vischhaak, stang met een haak”. Voor de bet. vgl. bij rug; zie nog pegel. Vgl. bakboord.—Afl. achterbaksch bnw., nog niet bij Kil.

Achterdocht znw., sedert Kil, die ’t woord “Holl.” noemt. In ’t Oudnnl. vaak = “het achterna overdenken”, in aansluiting [9] aan ’t mnl. oudnnl. ww. achterdenken, -docht niet = got. þûhtus m. “meening”, wat formeel mogelijk zou zijn, maar dial. uit -dacht ontstaan (vgl. gedachte en dunken).

Achteren bijw., niet mnl. Zie onderen.

Achterstallig bnw., laat-mnl. achterstallich (gh). Afl. van het nu verouderde achterstal m. “achterstand, achterstallige schuld”; vgl. mnl. (vooral noordndl.) achterstaen o. a. “achterstallig zijn” (mnd. achterstân “id.”), achterstal, achterstalling, achterstel, achtestellich (ook mnd.) “achterstallig”, achterstelle v. (later -stel o.) “achterstand”. Mnl. oud-*nndl. komt ook buiten samenst. stal m. “stand” voor, evenzoo owfri. stal, ags. steall m. Zie stal.

Achterwege bijw. Uit mnl. achter wēghe “op, langs den weg”.

-achtig suffix tot vorming van bnww., mnl. -achtich (gh), bijv. eerachtich “eerwaardig, geëerd”. Uit -haftig ontstaan; de h viel inlautend klankwettig weg. Evenals mhd. (nhd.) -haftig, mnd. -achtich, -echtich, owfri. -(h)aftig, -heftig gevormd van het kortere -haft (zie I echt), vgl. ohd. êrhaft “eerwaardig, braaf”, os. stedihaft “vast”, got. audahafts “begenadigd” Dit germ. -*χafta- eig. “behept met” is formeel identisch met het bnw. ohd. haft “geboeid, gevangen”, os. haft, haht “gevangen, zwanger”, ags. hæft, on. haptr m. “gevangene, slaaf”, got. hafts “geboeid”, buiten het Germ.: kymr. caeth “gevangene, slaaf”, ier. cacht v. “dienares”, lat. captus “genomen, gevangen”. Zie hechten en vgl. over den wortel qap- verder bij hebben en heffen. De jongere bet. van -achtig “lijkende op” mag ons geen aanleiding geven, een dubbelen oorsprong voor dit suffix aan te nemen. De vorm -haftig, bijv. krijgshaftig, berust op hd. invloed. Bij 17-eeuwsche schrijvers komt deze vorm van ’t suffix nogal voor.

Adamsappel znw. In verscheiden talen komt deze benaming van ’t strottenhoofd voor: een stuk van de verboden vrucht zou Adam in de keel zijn blijven steken en deze hebben doen opzwellen. Maerlant kende het woord Adaemsappel m. met de bet. “vrucht van een boom in Palestina, waarin Adams beet te zien was”.

Adder znw., mnl. adder, adre v. Ontstaan uit mnl. nadre met wegval van de n, doordat deze voor ’t taalgevoel soms bij ’t voorafgaande woord hoorde, bijv. in ən(n)adre. Evenzoo ndd. en eng. adder. Vgl. I aak. De mnl. vorm (n)âder(e) leeft dial. nog voort: Veluwsch nâdôr. Nâder(e) = ohd. nâtara (nhd. natter), os. nâdra, ags. næ̂d(d)re v. (eng. adder) “adder, slang”. Mnl. (n)ădre kan hieruit ontstaan zijn (vgl. etter). Minder waarschijnlijk is ’t, dat het er mee in ablaut staat evenals on. naðr m., naðra v., got. nadrs (m.?) “adder, slang”, die in vocalisme met ier. nathir “slang, waterslang”, lat. natrix “waterslang” overeenstemmen. Wellicht bij den wortel (s)nê- “winden” (vgl. naaien).

Adel znw. = ohd. adal o. “geslacht, voornaam geslacht”, mhd. adel m. o. “id., adelstand, aanzienlijke afkomst” (nhd, adel m.), os. athali o. “adel”, ags. æðelu o. mv. “voorname afkomst”, on. aðal o. “aard, natuur”. Ndl. adel (mnl. ādel m. komt zeer zelden voor) is waarsch. uit het Duitsch ontleend, evenals de. zw. adel “adel” terwijl edel (zie aldaar) van ouder tot ouder in het Ndl. heeft bestaan. Algemeen-germaansch en zeer oud is *aþal- als eerste lid van eigennamen: Albert, Albrecht uit *Aþalƀërχta-, evenzoo Allard, Aleid, Alfons e. a. Naast *aþala- (-ila-, -ula-) een vrddhi-afl.: ohd. uodal, uodil o. (nhd. Ulrich < ohd. Uodalrîch), os. ôthil (m.?), ofri. êthel, êdel, ags. êðel m., on. ôðal o. “erfgrond, vaderland”; misschien hierbij met ander suffix on. ø̂ðri “beter, voornamer”. Als de bet. “afstamming” de oudste is, zou men aan verwantschap met de ospr. onomatop. basis van ier. aite “pleegvader”, lat. atta, gr. ἄττα “vadertje”, obg. otĭcĭ, alb. at “vader”, oi. attâ- “moeder, oudere zuster”, atti- “oudere zuster” kunnen denken. Maar wellicht moeten wij voor germ. aþ-, ôþ- veeleer van de grondbet. “goed” uitgaan.—Adellijk bnw., nog niet bij Kil. Wel al ohd. mnd. Voor adellijk in a. wild heeft men ten onrechte een anderen oorsprong aangenomen.

Adelaar znw., mnl. adelaer, -er m.[10] (Mnl. Handwdb.), Teuth. adeler. Kil. noemt ’t woord “Ger. Sax.” Dit feit in verband met de omstandigheid, dat adelaar bij ons geen volkswoord is (arend wel), wijst er op, dat deze benaming van du. (resp. oostndl.) afkomst is: mhd. komt adelar, adler, adelarn (nhd. adler), mnd. ādelarn m. “adelaar” voor. Oorspr. = “edele āre” (vgl. arend).

Adelborst znw., sedert het laat-Mnl. Samenst. van adel en II borst. Mnl. = “jonge edelman”, dan speciaal “jong adellijk krijgsman”: Kil. adelborst “miles generosus, egregius, primarius”. Vgl. mnl. ādelsōne, mhd. adelsun m., mnd. ādelkint o. “zoon (kind) van edele, vrije geboorte”.

Adem, asem znw., mnl. âdem, aessem m. “adem, damp”. De meeste diall. hebben den s-vorm (voor Goer. næ̂səm vgl. naars naast aars), bij Bommel, op de Veluwe en in Groningen komt hiernaast aojəm resp. ôjəm, aom uit *âdəm voor. = ohd. âdum (nog dial.; met dial. ô uit â nhd. odem), os. âthum, (oofri. êthma, owfri. âdema m. n-stam), ags. æ̂ðm m. “adem”, germ. *êþma-. In den nom.-accus. enk. ontwikkelde zich tusschen þ en m een svarabhakti-vocaal, en de þ werd ndl. d, de s ontstond in de casus obliqui en het ww. wgerm *âþmôn (asemen), waar -þm- > -þþm- > -s(s)m- werd, vgl. mnl. ommevessemen (*faþmian) “omvademen” bij vadem. Met gramm. wechsel ohd. âtum (nhd. atem) m. “adem”. Buiten het Germ. vgl. vooral oi. âtmán- “adem, ziel”. De verdere combinatie met ier. athach “adem, wind” is zeer wsch., die met gr. ἀτμός, ἀτμή, ἀτμις “damp, rook” is onzeker: deze kunnen ook anders bevredigend verklaard worden.—Ademen, asemen ww. Reeds mnl. ohd. (âtumôn) mnd. ags. (æ̂ðmian).

Ader znw., mnl. âdere, ădre v. = ohd. âdara (nhd. ader), os. âthera (in samenst.), ofri. ĕdd(e)re, ags. æ̂dre v. (NB. gramm. wechsel þ : ð) “ader”. Dergel. r-afll. van de idg. basis êt- zijn ook gr. ἦτορ “hart”, ἦτρον “buik”. Voor de bet. vgl. mnl. inâdere, inā̆dre o. (gew. mv.), ohd. inâd(i)ri o. “ingewand”, os. ût innâthrian “eviscerare”; in het Mnd. wordt behalve inâderen ook het mv. van âder(e) voor “ingewand” gebruikt. Een dgl. samenst. ook in ’t Kelt.: mier. in-athar “ingewand”. Zonder r-formans on. æ̂ðr v. “ader”, waarbij -r nominatief-uitgang is.

Aderlaten ww., reeds laat-mnl. In de plaats gekomen van nml. ter âderen lâten (behalve “aderlaten” ook “adergelaten worden”). = nhd. (zur) ader lassen, mnd. âderlâten. Mhd. reeds ’t znw. âderlæ̂ʒe v., laat-mhd. ook âderlâʒ (v.? nhd. aderlass m. o.) “aderlating”.

Adjudant znw., eerst nnl. Of uit fr. adjudant òf uit spa. ayudante (beide van lat. adiûtans) ontleend: de d kan in 't tweede geval aan invloed van fr. adjudant of van lat. ad- toegeschreven worden. Hd. adjutant m. komt direct van het lat. woord.

Admiraal znw. Uit mnl. am(m)irael m. “Saraceensch bevelhebber, bevelhebber in ’t algemeen, vlootvoogd” ontstaan onder invloed van ofr. admiral of mlat. admiralius, dat zijn d van ’t ww. admîrâri had ontleend. Ook in ’t Hd. en De. is de d-vorm admiral de jongere. Mnl. am(m)irael is uit fr. amiral ontleend, dat volgens sommigen door het Spa. van arab. amîr-al-mâ, amîr-al bahr “bevelhebber ter zee” komt, volgens anderen uit arab. amîr “emir” + den lat. uitgang -âlis, -âlius bestaat.

Adverteeren ww. In de 16de eeuw ontleend uit ofr. avertir “attirer l'attention sur quelque chose par une information” en dan verlatiniseerd, of direct uit den ofr. bijvorm advertir.

Advies znw. o. De mnl. vorm avijs o. “gevoelen, raad” is uit fr. avis ontleend (lat. ad-vîsum). De oudnnl. vorm advijs berust op latiniseering (vgl. eng. advice “raad”). Het vocalisme van advies wijst op herhaalde ontleening.

Af bijw., dial. (vooral holl.) ook of mnl. af, of, āve. = ohd. ab(a) voorz. “weg van, van—af”, bijw. “af” (nhd. ab bijw.), os. af voorz. “weg van, weg uit”, in samenst. bijw. “af-”, ofri. of voorz. “van, weg van”, of, ove bijw. “af, weg”, ags. of “van—uit, weg van, van”, bijw. “af, weg” (eng. of, off), on. af voorz. “weg van, van”, bijw. “af, ervan, eruit”, got. af voorz. “van—af, van”.[11] In alle talen ook prefix, zoo ook onfr. af-; ags. als nominaalprefix æf-. = lat. ab “van”, gr. ἄπο, ἀπό “van” (separatief), “af”, lit. in apaczà “onderste deel”, alb. pr-apε “weder, terug”, oi. ápa “af, weg”, (ook ier. a- prefix?). Vgl. averechts en van.

Afbeulen. Zie beul.

Affuit znw., soms o. gebruikt, sedert Kil. Uit fr. affût “toestel om een voorwerp (kanon) op te plaatsen”. Hieraan ten grondslag ligt à fût, waarin fût = lat. fustis “knuppel, stuk hout” is. Uit l'affût is hd. lafette v. “affuit” en daaruit de. lavet, zw. lavett ontleend.

Afgezant znw. Zie zenden, gezant.

Afgod znw., mnl. afgod m. (v. afgōdinne) = ohd. abgot o. (zelden m.; nhd. abgott m.), os. ofri. afgod m. “afgod”, eig. = “on-god, verkeerde god”. Voor af- als negatief en pejoratief prefix vgl. afgunst en zie Von Bahder PBrB. 22, 525. Een andere bet. heeft af in wvla. afgod “goddeloos mensen”, noorw. dial. avgud “id.”, got. afguþs “goddeloos” (: gaguþs “vroom”), drie woorden, die onafhankelijk van elkaar ontstaan zijn.—Afgrijzen, nu gew. znw. o.: mnl. mî grîset af “ik heb afgrijzen”, afgrijs znw. o., afgrîselijc bnw. Zie griezelen, -lig.—Afgrond znw., mnl. afgront o. m., afgronde o. v. = onfr. afgrundi (dat. enk.), ohd. abgrunti o. (laat-mhd. komt abgrunt m. op; nhd. abgrund), os. afgrundi (mnd. komt afgrunt m. op), ags. æfgrynde o. “afgrond”; het oerwgerm. woord was *af-ʒrund-ia- “plaats waar de grond naar beneden gaat”. Formantisch afwijkend got. afgrundiþa v. “afgrond”. Vgl. grond.—Afgunst znw., mnl. afjonst(e) v. “afgunst, vijandschap”. Bestaat uit af en gunst, jonst(e). Vgl. mnl. af(j)onnen “misgunnen” en mhd. abegunst, abegünste v., ohd. abanst, abunst, os. aƀunst, ags. æf(e)st (*aƀunsti-) v. “nijd”, ook on. ǫfund v. “nijd, haat”. Ook ags. æfðonca m. beteekent “nijd”. Voor de bet. van af- “on-, wan-, mis-” vgl. afgod.—Afhandig bnw., mnl. afhandich, gew. afhendich “uit iemands hand of macht geraakt, weg, beroofd van”. Gevormd van af en hand, vgl. ohd. aba hantum “weg” (nhd. abhanden), mnd. afhendich “niet voorhanden, weg”, ags. æf-, ofhende “weg, afwezig” en ook behendig.—Aflaat znw., mnl. aflaet o. m. “kwijtschelding, vergiffenis, aflaat”. De technische kerkelijke bet. heeft zich uit “kwijtschelding” ontwikkeld. Deze laatste bet. hebben behalve onfr. aflât, ohd. ablâʒ m., ablâʒi o. reeds on. aflât o., got. aflets m.—Afmatten. Zie III mat.—Afrossen. Zie rossen.—Afscheid znw. o., mnl. afscheit(d) o. (m.?) “het vaarwel zeggen, beslissing”. = mhd. abescheit m. “afscheid, dood, beslissing” (oudnhd. nog abscheid, nu alleen abschied m.), mnd. afschêt “toegewezen goederen, overeenkomst, bescheid”. Van af-scheiden.—Afschuw znw., nog niet bij Kil., maar afschouwelijk wel al bij Coornhert. Bij schuwen gevormd, evenzoo hd. abscheu m., mnd. afschuw.—Aftakelen ww. Zie toetakelen.—Aftroggelen. Zie troggelen.—Afvaardigen ww., sedert Kil.: afvaerdighen “expedire, perficere, conficere, absolvere”. Een afl. van vaart of vaardig, vgl. nhd. abfertigen, in het oudere Nhd. ook “voor het vertrek gereed maken”, mnd. afverdigen “wegzenden”.—Afwezig. Zie aanwezig.—Afzichtelijk bnw., nog niet bij Kil., die evenwel een synoniem afsichtigh kent. Het bij Kil. vermelde afsicht “deformitas: despectus, us, despectio, despicientia, aversio” kwam minder voor. Wellicht is bij ’t ontstaan dezer woorden zoowel invloed van lat. despectus enz. als van afschouwelijk, den bijvorm van afschuwelijk, in ’t spel geweest.—Afzonderlijk bnw., eerst nnl. Onder invloed van afzonderen (zie bij zonder) opgekomen in de plaats van mnl. sonderlinc “afzonderlijk” (vgl. zonderling), waarnaast ook sonderlijc bestond.

Agaat znw., als stofnaam o. Evenals eng. agate, de. agat uit fr. agate en dit uit gr.-lat achâtês. Volgens Plinius heet de steen naar de rivier Achates op Sicilië, waar hij ’t eerst gevonden werd. Mnl. achaet, acaet, achates m. komen direct uit het Lat., evenzoo mhd. achat(es) (nhd. achat) m.

-age nominaalsuffix. Ontleend uit het Fr.: eenige woorden als bagage, personage werden overgenomen en daarna[12] werd -age ook achter ndl. stammen gevoegd. Evenzoo op ndd. gebied, bijv. mecklenb. leckage “lekkage”, slitage “verkoop”, takelage, tigage “tuigage”.

Ahorn znw., sedert Kil., die aenhorn (“Germ. Sax. Sic.”) opgeeft. Uit hd. ahorn m. Slav. *(j)avorŭ “plataan” (alleen het bnw. avorovŭ komt obg. voor) is uit het Ohd. ontleend, lit. aornas “ahorn” uit het Nhd. Ohd. âhorn m. < idg. *êkrnos, een oorspr. bnw., ablautend met lat. acer “ahorn”, acernus “ahornen”, gr. ἄκαστος ἡ σφένδαμνο; (Hes.). De. ær “ahorn” < oerngerm. *ăhira-. Het Mnl. (ook Kil.) kende ’t bnw. māserijn, -en “ahornen” (maserinus “ahornen” bij Venantius Fortunatus is van germ. oorsprong), afgeleid van māser m. “knoest in (ahorn)hout”; dit = ohd. masar m. (nhd. maser v.) “id.”, os. masur m. “tuber”, ags. maser m. “knoest”, on. mǫsurr m. “ahorn”. Men heeft dit nomen wel gecombineerd met de woordfamilie van mazelen. De andere germ. en idg. benamingen van acerineae ontbreken in het Ndl.

Ajakkes, ajasses tusschenw. Bastaardvloeken ontstaan uit Ah Jezus!

Ajuin znw., met eigenaardige dial. en mnl. vormen: vla. a(n)joen, zeeuwsch juun, N.Brab. juin, Maastr. un (“ui”), mnl. onioen, enioen, eniuun (ook met ng geschreven), eyuun, ayuun, juun “ajuin, ui”, Teuth. june “cepa”. Deze vormen zyn òf voor 800 uit rom. *ŭniône(m) “ui” ontleend: rom. ô kan als germ. ô of û optreden, vgl. kruin, moerbei;—òf later uit fr. oignon (< ŭniônem); vgl. dan voor de klinkerwisseling mnl. caproen : capruen “muts” e. dgl.;—òf ('t waarschijnlijkst) deels uit het Rom., deels uit het Fr. Voor de onbetoonde a naast o (vgl. ook Kil. oiuyn, aiuyn) vgl. kantoor, voor juun vgl. pul en amandel. Zie ui. Een oudere ontl. uit ’t Rom., met teruggetrokken accent (of van den lat. nomin.?) is ohd. unna v., une-(louh) “ui”.

Akefietje znw. o., ook met kk en met v geschreven. Nog niet bij Kil. Ook fri. akkefyt o. “voordeelig baantje, voordeeltje”, akkefytsje “id.”, akkefysje “baantje, werkje, vooral onaangenaam”. Terecht verklaard uit *aquavît-je “brandewijntje”: vgl. laat-lat. aquavita voor aqua vîtae, hd. (16.e.) aquavit m., pomm. akviit, de. akevit “brandewijn” (fr. eau de vie).

Akelei, akolei znw., mnl. a(c)keleye, acoleie v. Evenals ohd. ag(a)leia (nhd. aglei), ackeleia, acoleia v., mnd. acoleie v. (nhd. akelei) uit laat-lat. aquilegia “akelei”. De mnl. vorm acolie v. is aan ofr. *acolie (fr. ancolie) ontleend.

Akelig bnw., waarnaast oudnnl., nog dial. (bijv. Dordsch, Bommelsch, vel., saks. streken, ook fri.) akelik, akellijk. Afl. van het zeldzame mnl. ākel m. “leed, verdriet, nadeel” (ā en niet â blijkens achterh. akelik), een vooral noordndl. woord, verwant met ags. acan “pijn doen”, ece m. “pijn” (eng. ache), ndd. äken “pijn doen”. Als de a = idg. a is, kunnen gr. ἄγος o. “zonde, misdaad”, oi. ā́gas- o. “zonde, schuldige daad” verwant zijn. Minder wsch. is idg. o, ablautend met e in ohd. ëkorôdo “slechts”, ëkrôdi, ëckerôde “dun, zwak”, on. ëkla v. “gebrek”, ëkla bijw. “nauwelijks”, lat. egeo “ik heb gebrek”. Kil. kent akel, akelig niet, wel ackelen “schroomen, horrere”, ackelick “horridus”, beide met de toevoeging “vetus”. De ck moet uit de vormen met direct op de k volgende l verklaard worden; vgl. voor ’t geval dat de geminata op de wgerm. periode, teruggaat appel, akker,—voor ’t waarschijnlijkere geval dat zij jonger is vgl. monnik.

I Aker (putemmer), mnl. āker, ēker m. “wateremmer, watervat”, ook nnl. dial. eker, bijv. achterh. aker, èker. Ontl. uit lat. aquârium “watervat”, evenals ohd. achari “aquarius”, Teuth. eekeren “ketel”, mnd. āker, ākeren “koperen kook- of waschketel”, westf. æken, æker, oostfri. aker “emmertje”, fri. aker “put-, regenbakemmer”. Wsch. door rom. bemiddeling ontleend. De bijvormen op -en zijn onder invloed van de n-vormen bij II aker ontstaan.

II Aker (eikel, eikelvormig voorwerp), mnl. (noordndl.) āker (m.?) “eikel”, oorspr. ”(boom)vrucht”. = mhd. ackeran o. (m.), ecker(n) o. (nhd. ecker v.) “eikel, beukenoot”, mnd. ecker(en), acker(en) o. “eikel” (voor ck vgl. akker), ags. æcren, æcern o. “id.” (eng. acorn), on. akarn o. “vrucht van wilde boomen”, got. akran[13] o. “vrucht”, uit germ. *akrana-; de vormen met umlaut òf uit *akrena- òf door secundaire ontwikkeling. Buiten ’t Germ. zijn verwant: kymr. aeron “vruchten, boomvruchten”, ier. âirne “sleepruim”. Al deze woorden kunnen met obg. agoda, jagoda “vrucht” (alg.-slav. “besvrucht”), vinjaga “wijnstok”, russ. jáglyj “vruchtbaar”, lit. ů́ga “bes, kers” (in dit geval van lat. ûva “druif” te scheiden), arm. ačem “ik groei” verwant zijn. Minder wsch. is verwantschap der germ. en kelt. woorden met akker: idg. *aĝro-no- zou dan een denominatieve afl. zijn. Heel twijfelachtig is de combinatie van gr. ἄγ-λῑθες “knoflookknollen” met germ. *akrana- en verwanten. Vgl. II aak.

Akker znw., mnl. acker m. = ohd. ackar (nhd. acker), os. akkar, ofri. ekker m., alle met wgerm. verdubbeling van k onmiddellijk vóór r, verder ags. æcer (eng. acre, waaruit fr. acre “een landmaat”), on. akr, got. akrs m. “akker”. Germ. *akra-z = idg. *aĝro-s, lat. ager, gr. αγρός “akker”, oi. ájra- met de ruimere bet. “vlakte”: vgl. ook gr. ἄγριος “wild” = oi. ajryà- “op de vlakte zijnd”. Hierbij ook arm. art “akker”? Wellicht een idg. afl. van *aĝô “ik drijf”: on. aka “rijden”, ier. ad-aig “adigit”, lat. ago “ik voer”, gr. ἄγω “ik drijf”, arm. acem “ik breng, voer”, oi. ájati “hij gaat, drijft”; maar reeds in de idg. periode had *aĝ-ro-s “drift” de bet. van “vlakte”, in sommige streken die van “akker” aangenomen. Vgl. voor een anderen wortel, die europ.-arm. landbouwtermen heeft opgeleverd, bij I aard.—Akkermaalshout znw. o., eerst nnl., evenals akkermaal o.; geen van beide bij Kil. De bet. “hakhout” wordt uit de specialere “hakhout als akkergrens” afgeleid. Over maal “merk-, grensteeken” zie I maal; deze bet. bestaat in de saks. streken nog.

Akolei. Zie akelei.

Aks, akst. Zie aaks.

Al bnw. vnw. bijw. voegw., mnl. al (all-), een germ. bnw. (vnw.), waarvan het substantivische neutrum adverbiaal gebruikt wordt. = onfr. ohd. al (nhd. all), os. ofri. al, ags. eall (eng. all), on. allr, got. alls “al”. Germ. *alla- zal wel een idg. *al-no- (of *ol-no-?), een deelw. van al- “groeien” (zie oud) zijn, misschien = lat. *allos (voor allers “doctus, eruditus” te lezen volgens Stolz Wiener Stud. 22, 312). Vgl. de stamvarianten got. ala-mans mv. “de heele menschheid”, ala-kjo bijw. “gezamenlijk”, ohd. ala-wâri “geheel waar”, os. ala-hwît “geheel wit”, alung, ofri. along “eeuwig”, mnd. ālink, mnl. ālinc “geheel”, āle-waer, ael-machtich, lit. al-vënas “ieder” (*alo- of *olo-) en ier. uile “geheel, elk, al”, arm. ołĵ “geheel” (*ol-jo-).—De conjunctie al “hoewel, indien ook al”, reeds mnl. (ook = “indien”) en ook mnd. en mhd., is uit het bijw. al ontstaan, waar dit in bijzinnen stond, die oorspr. ook zonder voegw. dezelfde betrekking uitdrukten.—Aller-, versterking bij superlativi, mnl. alre-, aller- is de partitief gebruikte gen. mv. = “van allen”.—Alles onz. enk., eerst-nnl. (reeds in den Statenbijbel 't gewone woord) is òf onder hd. invloed opgekomen òf ’t is de gen. enk. van al. Deze kwam mnl. als bijw. voor = “in alle opzichten, in hooge mate, al te zamen”, evenzoo in andere germ. talen. Alles “omnia” is ook fri. en ndd. Hd. alles = ohd. allaʒ, got. allata, nom. acc. o. enk.

Alant (plantnaam, “inula helenium”), mnl. alaen, alant m. = ohd. (nhd.) mnd. alant m. Uit het Du. komen de. aland, zw. ålands-rot. Ten grondslag ligt een rom. of mlat. benaming van den alant, waarvan er behalve het bij aalbes genoemde ala nog meerdere bestaan hebben. De gewone lat. vorm is inula; op *iluna, *eluna wijst ags. eolone v. (: eng. elecampane), op een soortgelijken grondvorm ook fr. aunée. De lat. vormen gaan op gr. ἑλένιον terug. De oude ndl. bijvorm galant (reeds Teuth.) is door verwarring met een van de vormen van galigaan ontstaan.

Alarm znw. o., laat-mnl. al(l)arme, alerm. Evenals 15-eeuwsch hd. alerm, alarm, alarmen “alarm, lawaai” (nhd. alarm, lärm m.; de korte vorm reeds in de 16 eeuw; uit ’t Duitsch de. alarm, larm, zw. larm), eng. alarm, larum uit fr. alarme of it. allarme, eig. all'arme “te wapen”.

Albast znw., als stofnaam o. De vorm[14] zonder -er sedert Kil., die abast en alabast opgeeft. Ook die op -er komt nog in de nnl. periode voor. Mnl. alabaster, albaester (met rekking vóór st, vgl. plaester “pleister”) o. komt evenals mhd. alabaster o. (nhd. alabaster m.), mnd. albaster, eng. alabaster uit lat. alabastrum (via ofr. alabastre?) < gr. ἀλάβαστρον (waaruit got. alabalstraún). Mnl. labaster kan direct van den ofr. bijvorm labastre komen. Ook de. alabast (: ode. alabaster) mist den uitgang -er.

Albatros znw., eerst nnl. = fr. albatros. Uit port. albatroz.

Album znw. o., nog niet bij Kil. Ontl. uit lat. album, eig. “het witte”, dan “iets waarop geschreven wordt”. Internationaal woord. Hd. album o. komt sedert de 17e eeuw = “album” voor.

Alchimist znw. Evenals mnl. alkemist m., mhd. alchimiste m. (nhd. alchimist), fr. alchimiste uit mlat. alchimista, een afl. van alchimia, waaruit mnl. alkemîe, alkamîe, mhd. alchemîe, alchamîe v., nndl. nhd. fr. alchimie. Mlat. alchimia = spa. alquimia, uit arab. al-kîmîâ ontleend, waarin al lidwoord is (vgl. alcohol, algebra, alkoof, abrikoos), kîmîâ komt van gr. χημεια “chemie”, een afl. van χυμός “sap” met jongere η.—Alcohol znw., nog niet bij Kil. Internationaal woord. Via spa. alcohol uit arab. al-kuḥl “poeder van loodzwavel, om de oogleden mee te bestrijken”.—Algebra znw. Evenals mnl. algebra v. “ontleedkunde”, hd. algebra v. “algebra” via fr. algèbre resp. it. spa. mlat. algebra uit arab. al-ĵabr “het vereenigen van deelen tot een geheel, herleiding van breuken”.

Algemeen bnw. Een duitsch-ndl. samenst. van al bijw. en gemeen.

Alikruik znw., sedert de 17e eeuw. Ospr. een Zeeuwsch woord. De tegenwoordige Goereesche naam is æ̂ljəkrükəl, het huisje van zeeslakken heet krükəl. In Antw. is kreukel = “eetbare zeeslak”. Oorsprong onbekend. Verwant met kreuk? kruik?

Alkoof znw., nog niet bij Kil. Evenals hd. alkoven m. (> de. alkove), eng. alcove uit fr. alcôve en dit via spa. alcoba uit arab. al-qobbah “gewelfd gebouw of vertrek”. Vgl. alchimist.

Allee znw., sedert Kil. Uit fr. allée (bij aller “gaan”, oorsprong onzeker.) Reeds vroeger was ditzelfde woord ontleend als mnl. al(l)eye v. “omloop van een toren”.

Alleen bnw. bijw., mnl. allêne. Ontstaan uit al bijw. en êne, den zwakken vorm van een met de bet. “alleen”. Evenzoo mhd. al-eine (nhd. allein), mnd. allêne, ofri. al êna, allêna, laat-ags. eall âna (eng. alone) “alleen”. Mnl. allêne “geheel gelijk” bevat hetzelfde êne in de bet. “een, dezelfde”. Ook deze samenst. komt in andere talen voor. Het hierbij hoorende bijwoord heeft een rijke bet.-ontwikkeling. Zie Franck Tschr. 17, 73–81 en vgl. nog geld. allins, Zaansch alleens(ch) “eveneens, gelijk”, welk woord ook in ’t oudere Nnl. veel voorkomt.

Allehens znw. Uit eng. all hands “alle handen, de heele bemanning”.

Allemaal onbep. telw., eerst nnl. Vervormd uit altemaal, dat nog bestaat, mnl. altemâle “alles tegelijk, te zamen”. Vgl. I maal. Evenzoo allegaar uit altegāder.

Allengs bijw., in dezen vorm nog niet bij Kil. Met afwerping van -kens uit allengskens, dat met adverbiale -s gevormd was van mnl. allencskine, alleenskine, alleiskine, aleinsken (e. a. dergl. vormen), waarnaast al eenkine, allenkine, -ken, een samenstelling van al (bijw.) en *een(s)kine, vgl. mhd. (md.) alênzeln naast ênzeln, mnd. allentelen naast entelen (ook bnw. allentel naast entel) “een voor een, allengs”. Al versterkte nog de distributieve bet., die -kine (ospr. deminutief-suffix) reeds aan het woord had gegeven: “bij één tegelijk”, -kine komt ook bij andere bijww. voor, bijv. stillekine “stilletjes”. De s vóór het formans vertoont ook mnd. allensken “allengs”. De g in het ndl. woord is jonger; lang (vgl. langzamerhand) is hier misschien van invloed geweest. Ook kan men uit den mnl. oudnnl. vorm allenken (fri. allinken aon “allengs”) een stam lenk- geabstraheerd hebben. Deze beide vermoedens kunnen tegelijk juist zijn.

Allerhande bnw., mnl. allerhande. = mhd. mnd. aller hande, ofri. alra honda “allerlei”. Van hand in de bet. “soort”.

Allerlei bnw. Zie -lei. [15] Allo tusschenw., eerst nnl. Ook ndd. Uit fr. allons, evenals allé, nnd. (westf.) allèi uit fr. allez of aller.

Allooi znw. o., mnl. al(l)oy o. “menging van andere metalen met goud en zilver, wettelijk gehalte, die andere metalen zelf”. Uit fr. aloi “wettelijk gehalte, allooi”, eig. à loi “volgens de wet”.

Almanak znw., sedert de 16e eeuw. Oudnnl. ook almanach. In alle west-europ. talen en ook elders in gebruik. Uit gr.-egypt. ἀλμενιχιακά, bij Eusebius (4e eeuw) de naam van egypt. kalenders.

Aloud bnw., nog niet bij Kil. De vorm aaloud, 17e-eeuwsch, nog archaïseerend, bewijst niet, dat het eerste lid = ohd. os. ala-, mnl. ael- is (zie al). Deze spelling is eer ontstaan, doordat men al-oud uitsprak ā-lout en toch voelde, dat de l bij ’t eerste lid hoorde.

Alruin (mandragora), mnl. (zelden) alrûne. Wsch. uit het Duitsch: ohd. os. alrûna v. (nhd. alraun v. m.), eig. de naam van een voorspellenden geest, die volgens ’t volksgeloof uit den wortel gesneden werd. Het tweede lid is germ. *rûnô- v., got. rûna, on. rûn, mnl. rûne (zeldzaam), ohd. os. rûna, ags. rûn v. “geheim, geheim(zinnig)e beraadslaging, vertrouwelijk gesprek, runenstaafje”, waarbij ’t ww. mnl. rûnen “fluisteren, in ’t geheim of geheimzinnig overleggen” (nog wvla. rûnen “mompelen, brommen”), onfr. rûnan, ohd. rûnên (nhd. raunen), os. rûnon, ags. rûnian, got. *rûnan (blijkens birûnains v. “heimelijk besluit, complot”) “id.”; hiernaast on. rŷna “vertrouwelijk praten” en met ablaut on. raun v. “onderzoek” en ags. rêonian “fluisteren”. Verwant zijn ier. rûn “geheim”, lett. runât “spreken”, gr. ἐρευνάω “ik spoor op, onderzoek”, ἐρέω “ik vraag”.

Als voegw., mnl. alse, als, ook nog alsô. Uit al (bijw.) + (nnl. zoo). Het relatieve bijwoord resp. voegw. als en het aanwijzende bijw. alzoo zijn dus oorspr. één woord, door den invloed van zoo op alzoo en door een verschillend accent formeel gedifferentiëerd. Als, alzoo = onfr. alsŏ “sicut” en “sic, similiter”, ohd. alsô “als, evenzoo” (nhd. als, also), os. alsŏ “als, zooals, wanneer, zoo, evenzoo”, ofri. alsă “id.”, ags. eal(l)swâ “zooals, evenzoo” (eng. as, also). Het Mnl. gebruikt ook al = als “toen, indien, zooals”, en = “alsof”.

Alsem znw., met suffix-substitutie uit mnl. alsen(e) v. (ook nog oudnnl.), dial. ook a(a)ls, a(a)lst; vgl. droesem en zie bij II els. Alsen(e) heeft s (ss) uit χs, vgl. ohd. alahsan “alsem” (oudnhd. alsem, in de volkstaal nog andere vormen). Ook ’t Os. Mnd. kent ’t woord, in den vorm alsen(e). Het eerst is ’t overgeleverd in een lat. bron (Anthimus, 6e eeuw) als aloxinum (hieruit fr. aluine, spa. alosna “alsem”), maar ’t zal wel oorspr. germ. wezen (en niet < ἀλόη ὀξίνης), hoewel de oude verklaring als “tempelzaad”, uit *alχ- (got. alhs v., os. alah, ags. ealh m. “tempel”, verwant met gr. ἀλκή “kracht”, ἀλέξω “ik bescherm, weer af”, oi. rákṣati “hij beschermt”, ags. ealgian “beschermen” of < en? > oudlit. elkas “woud”, lett. elks “afgodsbeeld”) + *sêman- (zie zaad) formeel en semasiologisch onaannemelijk is. Eer zou men, met ’t oog op Anthimus’ meedeeling, dat de Franken of Goten het aloxinum gebruikten bij de bereiding van een geestrijken drank, aan verwantschap met mnl. āle o. v., (os. alo-fat o. “biervat”), ags. ealu o. (eng. ale), on. ǫl o., ksl. olŭ, lit. alùs “bier” kunnen denken, ofschoon dan het tweede lid van alsem geheel duister is. Met mnl. āle enz. kunnen verwant zijn lat. alûmen “aluin”, alûta “met a. behandeld leder”, gr. ἀλύδ(ο)ιμον πικρὸν παρὰ Σωφρόνι (Hes.): idg. *alu- “wat scherp is van smaak of reuk”. Een andere germ. benaming van den alsem is ohd. wërmuota v. (nhd. wermut m.), os. wërmôdo, -a m. v., mnd. wermôde, -mede v., -môt (o.?) (e. a. vormen), ags. wërmôd m. (eng. wormwood), ook Teuth. wermoede, Kil. wermoed (“Sax. Sicamb.”). Zie wormkruid.

Altaar znw. o. Het lat. altâre is al vroeg in ’t Nfrank. ontleend en klankwettig tot mnl. (nnl. archaïseerend) outer m. o. geworden. De mnl. vormen outaer en altaer, nnl. altaar, soms met eindbetoning, zijn aan den voortdurend werkenden invloed van lat. altâre toe te schrijven. Vgl. mhd. altâre, ohd. altâri naast mhd. alter, ohd. alteri m. (nhd.[16] altar m., met beide betoningen), os. altari m., mnd. altar, -er, oltar, -er o. m., ofri. altare naast alter m. o., ags. altâre naast alter m. (eng. altar), on. altari m. o. In ’t Ags. is gebruikelijker de germ. benaming wêofod, wîgbed o., eig. “tempelbed”. het Got. bezigt ’t woord hunslastaþs m., eig. “offerplaats”.

Altemet bijw., mnl. altemet “allengs”, zelden “soms”, uit al en temet; dit uit te + met. Evenzoo nnl. altemee (mee uit mede).—Althans bijw. voegw., mnl. altehan(t)s, met adverbiale -s (zie aanstonds) naast gewoner mnl. altehant, beide = “aanstonds, thans, zooëven”. Uit al (bijw.) + tehant. Zie thans. Evenzoo mhd. alzehant, mnd. altohant, -des “aanstonds”.—Altoos bijw. (dial. ô), mnl. altoos “telkens, gestadig, volstrekt, stellig”. = mnd. altôs, altes “aldoor, volstrekt”, oostfri. altôs, fri. (Wouden en bij oudere menschen) alteas “ten minste”. Kan bezwaarlijk identisch zijn met ohd. mhd. alzoges, mnd. altōges, alteges “aldoor, volstrekt, geheel en al”, maar wel kan ’t hiermede verwant en uit *al-tauhes klankwettig ontstaan zijn. Het tweede lid is dan de gen. van *tauχa-, een verbaalnomen bij *teuχanan (zie tijgen en teug). De oudste bet. is dus “bij elken trek”.

Aluin znw., mnl. aluun (o.?). Uit fr. alun en dit uit lat. alûmen “aluin” (vgl. hierover bij alsem). Ook in andere germ. en in balt. en slav. talen overgenomen; bijv. mhd. alûn m. (nhd. alaun).

Alzoo. Zie als.

Amandel znw., mnl. amandel, amander, -dre v., ook mandel v., een vorm, die nog bestaat als mandel, mangel (met ng ook wvla. amangelen) en ook in den Teuth voorkomt. Voor ’t wegvallen van den vóórtonigen klinker vgl. bij ajuin. Ndl. (a)mandel, ohd. os. mandala v. (nhd. mandel), eng. almond, on. alamandr m. zijn (gedeeltelijk indirect) ontleend uit lat. amandula, een vervorming van amygdala (gr. ἀμυγδάλη) “amandel”, waarop ags. magdala-trêo o. “amandel-*boom” teruggaat.

Ambacht znw. o., mnl. ambacht o. “beroep, werkkring (kerkelijk, rechterlijk e. a.), mis, ambachtsheerlijkheid, rechtsdistrict, handwerk, nering, werk, taak”, dial. (mnl. en nnl.) ook ambocht (vgl. achterdocht). = (onfr. ambacht-man “ministros”), ohd. ambaht, ambahti o. “dienst, ambt, godsdienst, mis” (nhd. amt), os. ambaht o. “ambt, dienst, district”, ofri. ombecht(e) o. “ambt, rechterlijk district, de rechters, laatst oliesel, mis”, ags. ombiht o. “beroep, dienst”, on. embæ̂tti o. “dienst”, got. andbahti o. “ambt, dienst”, een germ. neutrum *ambaχtia-, *ambaχta (de 2de vorm wsch. niet oergerm.) “dienst”, afgeleid van *ambaχta- m. “dienaar”: got. andbahts m. “id.”, on. ambâtt, -ôtt v. “dienares”, mnl. ambacht m. “dienaar”, ohd. ambaht (os. ambahteo) m. “id.”, ags. ombeht m. “id., discipel”. Dit woord is ontleend uit gall. ambactus, dat volgens Caesar de Bell. Gall. 6, 15 “dienaar, slaaf” beteekende; vgl. ook Festus’ woorden: “ambactus apud Ennium lingua gallica servus appellatur”. In het Got. is de anlaut naar analogie van de met and- samengestelde woorden veranderd. Op mlat. ambactiâta naast ambactia “opdracht” (een afl. van het germ. woord of direct van gall.-lat. ambactus) gaan it. ambasciata, fr. ambassade “gezantschap” terug.—Ambt o., reeds mnl. am(b)t, is eveneens uit *ambaχt(i)a- o. ontstaan, evenzoo mhd. ambet, ammet, ampt (nhd. amt), mnd. ambet, ammet, am(b)t, ofri. ombeth; ompt, am(p)t o. Wsch. heeft de verbreiding van het ndl. ambt in zijn tegenwoordige bet. onder invloed van hd. amt plaats gehad.

Amber znw., in de 17e eeuw ook ambra, ambar, ammar (ook o.), mnl. ammer, amber, emmer, ember (m. o.?), mnl. meer dan nu speciaal voor “barnsteen” gebruikt. Evenals mhd. amber, âmer m. (nhd. amber, ambra m.) ”(grijze) amber”, mnd. ammer “barnsteen”, eng. amber-gris ”(grijze) amber”, amber “amber, barnsteen” uit mlat. it. ambra en dit uit arab. anbar ”(grijze) amber”. De vorm met mm is bij ons klankwettig, mb is aan voortdurenden of hernieuwden invloed van het lat. woord of daaruit ontstane vormen uit andere talen toe te schrijven.

Ambt. Zie ambacht.

Amechtig bnw., mnl. âmachtich,[17] âmechtich “machteloos, uitgeput”. De vorm met e is oorspr. oostndl., elders verhindert cht den umlaut. De nnl. bet. “buiten adem” is daardoor te verklaren, dat ’t taalgevoel het woord bij âm uit adem bracht; maar inderdaad is mnl. â machtich identisch met ohd. âmahtîg; mnd. âmechtich “machteloos, krachteloos”, behoorende bij ohd. mhd. mnd. âmacht v. (nhd. onder invloed van ohne vervormd tot ohnmacht). Uit macht, machtig en prefix â-, dat in het Wgerm. = “on-” voorkomt, vgl. onfr. â-wigki “invio”, ohd. â-teili “niet deelachtig”, â-wiggi “van den weg af”, als znw. “verkeerde weg”, mhd. â-setze “onbezet”, ags. æ̂men “zonder menschen, ontvolkt”. Het Mnl. kent: âsāghe v. “beuzelpraatje”, âwech m. “verkeerde weg”, âwîsch “onwelluidend”, en verder Kil. nog: awijs “onwelluidend, onwijs”, awijse “onwelluidendheid, onwijsheid”, aweerd “onwaardig”. Dit wgerm. â- kan met geen idg. ontkenningspartikel samenhangen. Formeel zijn verschillende combinaties mogelijk, maar alle zijn zeer onzeker: obg. a “maar, en”, oi. ât “daarop, en”; lat. â “van”, oi. â “naar—toe, van—af”, enz.

Amerij(tje) znw., eerst nnl. Verkort uit ave Marî(a): “de korte tijd, noodig om een “ave Maria” te bidden”.

Amethist znw., mnl. ametist(e) m. Ook in andere germ. talen, bijv. mhd. ametiste m. (nhd. amethyst). Uit lat. amethystus (< gr. ἀμέθυστος). Wellicht door fr. bemiddeling.

Ammunitie znw. In de 16e eeuw ontleend uit fr. amunition, dat een tijdlang in de lagere volkstaal gebruikt werd; 't was geabstraheerd uit la munition, als l'amunition opgevat. Evenzoo eng. ammunition.

Amper bijw. (nauwelijks), eerst nnl. Oorspr. bet. “scherp, bitter, zuur”, dan “met moeite”. Bijw. bij het mnl. oudnnl. (nog dial. en archaïseerend) bnw. amper “scherp, wrang, bitter, zuur, onaangenaam” = zw. amper “scherp, wrang”, noorw. amper “id.”, ook “lastig (vooral van kinderen)”. Vgl. ook on. apr (*appr uit *ampra-z?) “scherp, lastig, smartelijk aangedaan” en het znw. ohd. ampfaro m. (nhd. ampfer), ags. ompre v. “zuring”. Germ. *ampra- moet in de eerste plaats met oi. am(b)lá- “zuur”, alb. ámbεl′ε “zoet” (eig. “met een pikanten smaak”) vergeleken worden, verder ook met lat. amârus “bitter”, on. ǫmurligr “walgelijk, afschuwelijk” en—zonder l- of r-formans—ier. om “rauw”, ablautend met gr. ὠμός, arm. hum, oi. âmá- “rauw”. De combinatie van deze woordfamilie met on. ama “kwellen, plagen”, oi. ámîti “hij dringt aan, benauwt” is mogelijk, maar onzeker.

Amulet znw., eerst nnl. Evenals hd. amulett o. (via fr. amulette?) uit lat. amulêtum “voorbehoedmiddel”; dit wordt het best verklaard als een afl. van amulum (< gr. ἄμυλον) “zetmeel”: dus amulêtum “spijs van zetmeel” > “dgl. spijs als genees- of voorbehoedmiddel” > “voorbehoedmiddel”.

Ananas znw., eerst nnl. Evenals hd. eng. fr. ananas uit het Spa.-Port. Van peruaanschen oorsprong.

Ander bnw., mnl. ander “ander, tweede”. = ohd. andar “tweede, ander” (nhd. ander), os. âthar, ôthar, ofri. ôther, ags. ôðer (eng. other), on. annarr, got. anþar “id.”. Een idg. comparativische formatie = lit. añtras, oi. ántara- “de andere”. Obg. vŭtorŭ “de tweede” zal wel een ander woord zijn. De basis an- ook in oi. anyá- “een ander” (vgl. voor de formantia lat. al-ter “de ander”: al-ius “een ander”) en in obg. onŭ “hij”, lit. añs “ille”, arm. -n “de”, (oi. ana- “deze”; vgl. over deze e. a. vormen Brugmann Demonstrativpr. 90–95), nperz. ân “ille”, gr. ἐνο- in ἔνη “de dag van overmorgen”, κεῑνος (*κεενος) “ille”, ὁδεῑνα “dinges” (uitgegaan van *τάδε ἕνα “dit en dat”) De bijvorm aar, die in het oudere Ndl. en nog in fri. getinte diall. voorkomt, in ’t beschaafde Ndl. alleen in elkaar, malkaar, is in het fri.-holl. dialect klankwettig uit *anþar > *âþar ontstaan.—In anderhalf, mnl. anderhalf leeft de oude bet. van ander “de tweede” nog voort. Vgl. ohd. andarhalp (nhd. anderthalb), os. ofri. ôtherhalf, ags. ôðer healf, on. halfr annarr “anderhalf”.—Anders (dial. ook aars) bijw., mnl. anders. Evenzoo reeds ohd. and(e)res (nhd. anders), mnd. anders, ofri. ôtheres “anders”. [18] Andijvie znw., eerst nnl. Uit fr. endive, oudtijds ook endivie, en dit uit rom.-mlat. endivia (lat. intibea) “andijvie”, een afl. van intibus “cichorei”. Oudtijds schreef en sprak men ook ndl. endivie (o.a. Kil.); vgl. hd. endivie v.

Andoren (plantnaam), eerst nnl. Reeds ohd. os. andorn m. o. (nhd. andorn m.) “marrubium, andoren”. Oorsprong onbekend.

Anekdote znw., eerst nnl. Uit fr. anecdote en dit uit lat. anecdotum < gr. ἀνέκδοτον, ospr. = “niet uitgegeven, niet bekend gemaakt”. Ook elders ontleend.

Angel znw., mnl. anghel m. = ohd. angul m. “stekel, haak, vischangel” (nhd. angel, gew. v.), os. angul m. “hamus, calamus”, ags. ongel m. “haak, vischhaak” (eng. angle), on. ǫngull m. “vischangel”. Daarnaast met ander formans (-n-): mnl. anghe m. “prikkel (ook overdracht.)”, nog dial. (Antw. ang v. “angel, baard van aren, spits”), ohd. ango m. “stekel, deurhengsel”, os. ango m. “id.”, ags. onga m. “stekel”, on. angi m. “stekel, punt”, got. hals agga m. “nek (halsbuiging)”. Vgl. buiten ’t Germaansch ier. êcath “vischangel” (aŋk-), lat. ancus “qui aduncum brachium habet”, uncus “krom, haak”, gr. ὄγκος “haak”, ἀγκών (= germ. *aŋʒan-) “kromming, elleboog”, ἀγκύλος “krom”, ksl. ąkotĭ “haak”, lit. anka “strik”, oi. aŋká- “haak, kromming, zijde (van ’t lichaam)”, aŋkurá- “spruit, twijgje” (= germ. *aŋʒula-z, gr. ἀγκύλος). Met gramm. wechsel misschien on. âll, ǫ̂ll m. “kiem” (*aŋχlu-). Een wortelvariant van idg. aŋq-, oŋq- (opvallende ablaut! Vgl. al) is bij I enkel besproken.

Angst znw., mnl. anxt m., ook anxte v. “benauwde toestand, gevaar, risico, vrees”. = onfr. angust v. “angustia”, ohd. angust v. “gevaarlijke toestand, angst” (nhd. angst), mnd. angest, anxt m. “gevaar, angst”, ofri. ongost, -est, onxt m. “angst”, germ. *aŋʒusti- v., *aŋʒustu- m. Gew. opgevat als een afl. van den bij eng besproken germ. stam *aŋʒ(w)u- “eng”. Wsch. echter moeten we dit germ. woord evenals lat. angus-tus “eng”, angus-tiae “engte”, ksl. ązos-tĭ “nauwte” als een afl. van idg. *añĝhos “id.” (lat. angor “het worgen, angst”, oi. âṁhas- “engte, nood”; ook on. angr m. o. “smart, schade”?) opvatten; vgl. nog ozw. ängsla “beangstigen”. De u van ’t germ. znw. kan aan invloed van ’t verwante *aŋʒ(w)u- worden toegeschreven.—Angstvallig bnw., mnl. anxtvallich. Vervormd (onder invloed van vallen) uit mnl. anxtvoudich, dial. anxtvoldich = mnd. angestvoldich, Teuth. anxtfeldich “angstig, bang”. Voor het tweede lid zie zorgvuldig.

Anijs znw., mnl. anijs, anies o. Uit lat. anîsum (gr. ἄνῑσον, jongere vorm naast ἄνηθον, ἄνησον “dille, anijs”) òf direct òf via fr. anis ontleend. Evenzoo laat-mhd. anîs, enîs o. (nhd. anis m.).

Anjelier znw. Een speciaal ndl. woord, De oudste vormen zijn angier, angelier (reeds laat-mnl.). bij Kil. angiere, angeliere. De j komt ’t eerst bij Spieghel voor in 1614: anjier. Deze noordndl. benamingen zijn wsch. ontstaan uit den Noord-Italischen plaatsnaam Angera, waarnaast ook de vormen Anghera, Anghiera voorkomen, terwijl de lat. naam Angleria is. NB. Italië is het stamland van de anjelier. Wsch. zei men eerst genoffelen van Angiere, als vertaling van caryophylli Angleriae. De lat. naam Angleria is als ndl. angelier overgenomen. Geroffel (mnl. gheroffelsnāghel m. “kruidnagel”), waarnaast het jongere, nog vooral in Zuid-Ndl. gebruikelijke genoffel (Antw. žənŏefəl “anjelier”, wvla. giroffel, groffelier “violier”, grofnagel, groffelnagel “kruidnagel”) is uit fr. girofle en dit uit lat. caryophyllus, -um (gr. καρυόφυλλον) ontstaan, in de oudheid al de naam van een aromatische plant. Καρυόφυλλον en arab. qaranful “kruidnagel”, volgens sommigen ontleend uit, volgens anderen het etymon van dit gr. woord, zijn ook in veel andere talen van Europa en West-Azië overgenomen.

I Anker (van een schip) znw. o., mnl. anker m. = laat-ohd. anchar m. (nhd. anker), mnd. anker m. o., ags. oncor m. (eng. anchor), on. akkeri o. “anker”. Ontleend uit lat. ancora (< gr. ἄγκῡρα) “id.”. Deze scheepsterm was al vroeg in Engeland bekend; wellicht tegelijk aan de Nederl. kust? Later[19] drong bij door in het Skandinavisch, Ndd. en Hd. Hier verdrong hij de oude van zinken afgeleide benaming ohd. senchil m., sinchila v.

II Anker (vochtmaat) znw. o., nog niet bij Kil. Evenals ofr. ancere “tonnetje” ontl. uit mlat. ancheria, anceria “tonnetje (van een bepaalde maat)”. Uit het Ndl. komen nhd. anker m., eng. anker, de. anker, zw. ankare, de laatste beide misschien via ndd. anker.

Ansjovis znw., nog niet bij Kil. Evenals fr. anchois, eng. anchovy uit spa. anchoa en dit uit bask. *anchu = panchu “een vischnaam”. Uit het Ndl. en Eng.: hd. anchovi v., de. ansjos, zw. ansjovis.

Antilope znw., nog niet bij Kil. Evenals hd. antilope v., eng. antelope uit fr. port. antilope, waarvan de oorsprong niet zeker bekend is.

Antwoord znw. o., mnl. antwo(o)rde v. (o.?). In het Nndl. o. onder invloed van I woord, vóór-mnl. ook onz. = ohd. antwurti o., zelden v. (nhd. antwort v.), os. andwurdi, andwordi o., ofri. ondwarde, antwerde, ontwert, onder(t) o. v., ags. ondwyrde, on. andyrði, got. andawaúrdi o. “antwoord”. De mnl. bijvorm antwerde, antwaert v. kan opgekomen zijn onder invloed van antwerde naast antwo(o)rde v. “tegenwoordigheid” (vgl. -waarts). Antwoord bestaat uit *anð(a) + een afl. van woord. De spelling ant- is phonetisch, niet etymologisch (vgl. etgroen). Een ander germ. woord voor “antwoord” is: os. antswôr m., ofri. ondsĕr(e) (m. o.?), ags. ondswaru v., on. andsvar o., uit *anð(a) + verschillende bij I zweren hoorende nomina. Het germ. prefix *anð(a)-, hier = “tegen”, bestaat in het Ndl. niet meer als zoodanig noch als afzonderlijk woord, en antwoord is de eenige rest. Uit ’t Mnl. vgl. nog o. a. antwerp m. “tegen water opgeworpen land” (vanwaar Antwerpen). Als verbaal- en nominaalprefix komt *anð(a)- over ’t heele germ. gebied voor = “tegen—in, tegenover” en daaruit ontstane bett.: onfr. ant-, ohd. ant-, os. and-, ofri. ags. ond-, on. and-, got. and- verbaal- en anda- nominaalprefix, bovendien got. and voorz. “langs, op, verbreid over”, os. and, ant “tot aan”. De got. vorm anda- wijst er op, dat *anð uit *anða is ontstaan, vgl. gr. ἄντα “tegenover”, oud-lit. anta, lit. añt “op, tot”. Hiernaast idg. *anti in lat. antevóór, gr. ἀντί “in bijzijn, in de nabijheid van, in plaats van”, oi. ánti “tegenover, vóór, in de nabijheid van”. Wellicht is ook arm. ənd althans in sommige bett. (“ἀντι, langs, tegenover, op—toe”) = *anti, *anta. Bij dit voorz. behooren nomina uit allerlei talen, misschien ook einde; deze zijn evenwel alle van ’t voorz. afgeleid en geen een is er waarvan *anti, -a casus zouden kunnen wezen. Vgl. ont-.

Apotheek znw., mnl. ap(o)tēke v. “bewaarplaats, specerijwinkel”. Uit fr. apothèque en dit uit lat. apothêca (< gr. ἀποθήκη) “bewaarplaats, bergplaats”. In deze bet. èn in de tegenwoordige bij Kil.—Apotheker znw., mnl. apotecarijs en aptēker m., beteekende van ouds “apotheker, kruidenier”; ’t komt van ofr. apotecaire, -arie, lat. apothêcârius. Voor “apotheek” kende ’t Mnl. apoticarîe v. (mlat. apothecaria); hiervan vla. pottekarie “de heele rommel”; deze vorm al in 1487.

Appel znw., mnl. appel (zelden āpel) m. = ohd. apful m. (nhd. apfel; ohd. zelden afful), os. appul, apl, ofri. appel (“oogappel”; NB. fri. apel “appel”), ags. æppel m. (eng. apple), krimgot. apel “appel”. Naast dit germ. *apla-, *aplu- nog on. epli o. “id.” uit *ap(a)lja-. De wgerm. pp ontstond uit p onmiddellijk vóór l; met enkele p de alg.-germ. boomnaam ohd. affoltra, os. apeldere v., ags. apuldor m., apuldre v. (naast ohd. apfoltra v., ags. æppuldre v., met pf, pp naar apful, æppel), on. apaldr m. “appelboom”. Hiervan de eigennamen ndl. Apeldoorn, hd. Affoltern, eng. Appledore. [Hetzelfde suffix, idg. -tro-, -trâ- ook in ohd. maʒʒaltra v. (nhd. massholder), os. mapulder m., ags. mapuldre v. (vgl. eng. maple) “ahorn” e. a. germ. boomnamen; vgl. lett. mî-tra, mi-tra “palm”, arm. mair “pinus, cedrus”]. Het Mnl. en het zuidelijke Nnl. hebben voor “appelboom” de afl. appelaer m. Buiten ’t Germ. vgl. ier. aball, ubull, ksl. (j)ablŭko, lit. óbůlas, obůlỹs “appel”. De combinatie met lat. Abella “stad[20] in Campanië met belangrijke vruchtenkultuur” is heel onzeker, die met lat. mâlum, gr. μῆλον “appel” is onmogelijk.

Applaudisseeren ww.: fr. applaudir = mnl. policieren “polijsten”: fr. polir = nnl. florisseeren (vooral florissant): florir. Vervoegde vormen van de fr. ww. zijn bij de overname van invloed geweest. Nog komen in de nnl. periode approfondisseeren e. a. dgl. vormen voor.

Approviandeeren ww. Van proviand gevormd onder invloed van fr. approvisionner.

April znw., mnl. april(le), apriël, aprel m. Uit lat. Aprîlis; evenzoo in andere talen, bijv. mhd. aprille, aberëlle m. (nhd. April). De ndl. naam is grasmaand. Kil. vermeldt ook Oostermaend (“Sax.”) = ohd. ôstarmânôt m. “Paaschmaand”.

I Ar znw. Verkort uit arreslee (eerst nnl.), dat uit narreslee ontstaan is (vgl. I aak, adder). Deze vorm komt dial. (Goeree) nog voor. Zie nar. De arreslee is zoo genoemd naar het narren tuig van paarden, voertuig en personen.—Afl.: arren ww., evenmin als oud-nnl. narren “arren” bij Kil.

II Ar bnw. (alleen nog: in arren moede), mnl. erre (arre) “van den rechten weg af, in de war, boos, bedroefd”. Met e (dial. a) uit i vóór r + medeklinker; vgl. kerk. = (onfr. irren “errare”), ohd. irri “verdwaald, zich onzeker bewegend” (nhd. irre), os. irri, ofri. îre “boos”, ags. ierre “verdwaald, boos”, got. aírzeis “verdwaald”, germ. *erzia- > *irzia-. Verwant met lat. errâre “dwalen”, gr. αρειή (*ἀρεσϳᾱ) “hoon”, russ. jóra “vagebond, woesteling”, lett. erůtës “zich ergeren, boos zijn”, arm. heṙ “toorn, nijd, twist, strijd”, eṙam “ik kook (van water), ben in onrustige beweging, ben boos”, z-eṙam “ik beweeg mij, wemel, (van het licht gebruikt:) tril”, oi. îrṣyā́- “afgunst”, irasyā́- “boosheid”. Voor de bet. van de germ. woorden vgl. de armeensche.

Arbeid znw., mnl. arbeit (d) m. v. “arbeid, inspanning, moeite, leed, barensnood”. = onfr. arbeit m. v. (d, th), arvith o. “labor, tribulatio”, ohd. ar(a)beit v. (nhd. arbeit v.), os. arƀed, -id v., arƀedi, -idi, -ithi o., ofr. arbe(i)d o., ags. earfoð, earfeðe o., on. erfiði o. (vgl. ’t bnw. ags. earfeðe, on. erfiðr “bezwaarlijk”), got. arbaiþs v. “arbeid, last, leed”. Voor de vooral in het Onfr. opvallende b- ƀ-wisseling vgl. bij barmhartig. Hierbij buiten ’t Germ. obg. rabŭ “slaaf, knecht”, rabota “slavernij”, lit. ap-si-rů́bti “het huiselijk werk verrichten”, arm. arbaneak “dienaar, helper” (minder wsch. is de bij erf vermelde combinatie van rabŭ.) Deze idg. wortel orĕbh-: erĕbh- kan een afl. zijn van de bij ernst besproken basis. Wsch. is arbeid een verbaalnomen bij een werkw.-stam *arƀai- (got. *arban, *arbaida), anderen hebben er—niet aannemelijk—een samenstelling in gezocht van *arƀa- en *iði- “gang, het gaan”, idg. *iti-, verbaalnomen bij lat. eo, gr. εἶμι, lit. eimì “ik ga”, oi. éti “hij gaat”, waarbij o. a. ook nog: ier. eth(a)e “itum est”, obg. idą “ik ga”.

Arduin znw. o., mnl. orduun o.; beide vormen bij Kil. Voor de a- o- wisseling vóór den toon vgl. kantoor, karwei, gordijn. Uit ofr. ordon, ourdon “arduin”. Voor den uitgang -uun, -uin zie bij ajuin. De vorm van ’t fr. woord maakt de dikwijls aangenomen afl. uit den naam van de Ardennen (lat. Arduenna silva) onwaarsch.

Arend znw., mnl. (zeldzaam) ārent (d) met jongere d (vgl. iemand) naast gewoner āren, a(e)rn m. “arend”; in 't Fri. nog earn “arend”. Met rekking van a vóór r + dentaal. Vgl. garen, baard. = ohd. os. arn, mnd. arn(e), ar(e)nt, ags. earn, on. ǫrn m. “arend”, germ. *arna-, *arnu-. Hiernaast *aran- in ohd. os. aro (nhd. dichterlijk aar; vgl. adelaar), on. ari, got. ara m. “arend”. Vgl. buiten het Germ. kymr. eryr “arend”, gr. ὄρνις “vogel”, obg. orĭlŭ, lit. erẽlis, arẽlis “arend”. Misschien verwant met rennen. In de saks. diall. van Nederland beteekent aorent “doffer”, evenzoo mhd. dûf-arne m.

Arg- in de znww. arglist, argwaan = mnl. arch, waaruit ook nnl. erg. Zie aldaar.—Arglist, mnl. arghe list v. “arglist, booze toeleg” = ohd. arclist v. (nhd. arglist), ofri. erge list (ook: arg ende list).—Argwaan is waarschijnlijk onder duitschen (resp. oostndl.) invloed[21] opgekomen: mhd. arcwân (nhd. argwohn) m. “argwaan”; ohd. al arcwânen “verdenken, argwanend zijn”. Het Mnl. heeft alleen archwânich, in limb. teksten. Vgl. waan.—Nnl. argeloos bnw. ± 1800 uit hd. arglos.

Ark znw., mnl. arke v. “ark, kast, kist, gewelfde oven, gewelfd dak boven 't rad van een watermolen”. Een alg.-*germ. leenwoord uit lat. arca “kast, kist”: ohd. archa, arahha v. “kist, ark” (nhd. arche), mnd. arke v. “kast, kist”, ofri. erke, arche v. “ark, kast, kist”, ags. earc(e) v. “id.” (eng. ark), on ǫrk v. “id.”, ook “lijkkist”, got. arka v. “ark, kast, geldkast”. Reeds in den heidenschen tijd en dus niet in de speciale bet. “arke Noachs” is lat. arca overgenomen in ’t Germ.; vgl. kist. Uit het Got. komt weer slav. *orky (čech. rakev “lijkkist”).

I Arm znw., mnl. arm (aerm, ārem) m. = onfr. arm, ohd. ar(a)m (nhd. arm), os. arm, ofri. erm, ags. earm (eng. arm), on. armr, got. arms m. “arm”. Idg. *arəmo-. Vgl. buiten ’t Germ. lat. armus “bovenarm”, gr. αρμóς (uit *αρμóς) “samenvoeging, voeg, schouder”, obg. ramo, ramę, serv. rȁme “schouder”, arm. armukn “elleboog” en met ablaut opr. irmo, oi. îrmá- “arm”, (lat. râmus “tak”?) uit *arəmó- (*ṛ̂mó-). Evenals lat. artus “lid”, gr. ἄρθρον “lid, gewricht” behoort *arəmo-, *arəmo- bij de basis ar- “voegen, schikken”, waarvan o.a. nog gr. ἀραρίσκω “ik voeg samen, maak pasklaar”, arm. aṙnem “ik maak”, oi. arpáyati “hij bevestigt” komen. Voor de bet. let vooral op gr. αρμóς.

II Arm bnw., mnl. arm (aerm, ārem). = onfr. arm, ohd. ar(a)m (nhd. arm), os. arm, ofri. erm, ags. earm (eng. arm) “arm, ellendig”, on. armr “ongelukkig, ellendig”, got. arms “arm, ellendig”. Waarsch. uit *arƀma-, idg. *orbh-mo- en met de onder erf besproken woordgroep verwant. Ook is verwantschap met arbeid mogelijk, maar minder wsch.—Armoede znw., mnl. armoet, armoede m. v. o. = onfr. armuodi o., ohd. ar(a)muotî v. (nhd. armut), os. armôdi (o.?), (owfri. eermôdicheit) “armoede, ellende”. Een afl. van arm; vgl. ook het ohd. bnw. armuoti “arm”. Wellicht zijn al deze stammen afll. van *armôþu-, -ôðu-, dat een dgl. formatie zou wezen als got. manniskodus m. “menschelijkheid”. Ospr. behoorden de nomina op -ôþu-, -ôðu- bij ww. op -ôn, maar het formans is ook elders productief geworden, op dgl. wijze als lat. -âtus. Het taalgevoel associeerde armoede, -ig met moed(ig), dat ook in samenst. voorkomt. Vandaar bleef de ô, oe bewaard, die in maand verdween.—Armzalig bnw., nog niet bij Kil. Wellicht naar hd. armselig (sedert de 15e eeuw); ook het euphemistische, bij Kil. vermelde salighpauper, miser, quod beati sint pauperes spiritu, scripturae testimonio” en het reeds mnl. rampzalig kunnen hierbij invloed hebben gehad.

Aronsbaard, aronskelk znww. Samenstt. met aron, gr. ἄρον lat. arum “kalfsvoet, aronskelk”; volksetymologisch met Aäron in verband gebracht. Fr. arum, hd. aron m. o.

Arrestant znw. Uit fr. arrestant > arrêtant, tegenw. deelw. van arrester > arrêter, dat al in het Mnl. is ontleend: mnl. (ar)restêren, nnl. arresteeren. Dezelfde opvallende passieve bet. als ndl. arrestant hebben ook hd. en de. arrestant.

Arsenaal znw. o., sedert Kil.: arsenael “navale et armentatorium”. Uit fr. arsenal, it. arsenale, een afl. van mlat. arsena, dat op arab. dâr (aṣ)ṣinâʿa “huis waar iets gemaakt wordt” teruggaat.

Artillerie znw. Reeds in ’t Mnl. ontleend uit fr. artillerie, een afl. van lat. articula, een demin.-vorm van ars “kunst”. De M.E.sche bet. was “werpgeschut”. Internationaal woord.

Artisjok znw., sedert Kil. Evenals hd. artischocke v., eng. artichoke uit fr. artichaut, it. articiocco, deze weer uit spa. alcarchofa < arab. al-ẖaršûf.

Arts znw. Evenals mnd. arste m. ontleend uit hd. arzt, mhd. arz(e)t m. “arts”. Kil. kent naast artse nog arste en artset met bewaarde t. Het mnl. woord was a(e)rsâter, ersâter, -t(e)re m. = onfr. ercetere m., ontstaan uit mlat. archiâter “opper-lijfarts” (uit gr. ἀρχιατρóς), reeds tijdens Childebert en Karel den Grooten de technische term aan het[22] Frankische hof, waardoor het inheemsche woord ohd. lâhhi m. “arts”, ags. læ̂ce m. “arts, bloedzuiger” (eng. leech), got. lekeis m. “arts”, dat in mnl. lâke, lieke m. ” bloedzuiger” ('t laatste oorspr. een holl.-fri. vorm) nog een tijdlang voortleefde op ndl. bodem, verdrongen werd. Voor den overgang k > ts in lat.-rom. *ark′âter vgl. kruis. Uit archiâter moet ook hd. arzt, ohd. (mhd.) arzât m. ontstaan zijn. Het is opvallend, dat het woord archiâter alleen in de germ. deelen van het frankische rijk inheemsch geworden is, terwijl ’t in geen rom. taal voorkomt.—Artsenij znw., laat-mnl. arcenîe v. Uit mhd. arzenîe v. (nhd. arznei), waarnaast ook erzenîe v., een afl. van mhd. erzenen, ohd. erzinen, gi-arzinôn “de geneeskunst toepassen”, dat zelf ontstaan was naar ’t model van ohd. lâhhinôn (= os. lâknon, ags. lâcnian, got. lekinon “id.”) bij lâhhi. Met mhd. arzâtîe v. “artsenij” stemmen overeen mnd. arsedîe (ook arstedîe), mnl. a(e)rsedîe, e(e)rsadîe v. “artsenij”. Dit woord is ontstaan doordat men in *ark′âter -er als uitgang voelde: anders had -îe achter het volledige woord moeten komen. Bevreemdend is de verschillende dentaal in mnl. arsâtre en arsedîe. Wsch. komt 't eerste woord van den lat. vorm, het tweede van den rom. (evenzoo ohd. arzât).

As znw., mnl. asse v. Met ss uit χs. = ohd. ahsa (nhd. achse), os. ahsa, ags. eax v. “as”, waarnaast met l-suffix on. ǫxull m. “id.” (eng. axle-tree uit het Noorsch). Vgl. buiten het Germ.: ier. ais “wagen, kar”, kymr. echel “as”, lat. axis, gr. ἄξων, ksl. osĭ, lit. aszìs, oi. ákṣa- “as”. De hypothese, dat idg. *ak̂s- “as” uit *aĝ-s- ontstaan en van den bij akker besproken wortel aĝ- afgeleid is, is niet te weerleggen, maar zeer onzeker. Vgl. oksel.

Asch znw., mnl. assce v.; ook het mv. asscen in dezelfde bet.: hieruit vla. asschen(e). = onfr. ohd. asca (nhd. asche), mnd. asche, ags. asce, æsce (eng. ashes mv.), on. aska, got. (opvallend verschil in consonantisme) azgo v. “asch”. Afl. van den idg. wortel ā̆s-, waarvan lat. âreo “ik ben droog, dor”, ardeo “ik brand”, gr. ἄζω “ik maak droog, dor” (ook syrak. ἄσβολος “roet”?), oi. ā́sa- “asch”. De verlengde stam az-d- is blijkens de geciteerde woorden reeds idg.; ook asch heeft men er van afgeleid, de grondvormen zouden dan *azdgôn- en *azdagôn- zijn. Veeleer echter zijn arm. ačiun “asch”, azazem “ik droog” direct verwant met germ. *askôn-, *azgôn-: idg. azg- en azĝh-. Vgl. nog bij eest.

Asem, asemen. Zie adem.

Asperge znw., sedert Kil. Uit fr. asperge en dit uit lat. asparagus (< gr. ἀσπάραγος, ἀσφάραγος), vanwaar ook mhd. (nhd.) spargel m., eng. asparagus, door volksetymologie ook sparrow-grass. Kil. geeft ook sparghel, sperghel op. Ons spargel kan hierop teruggaan, maar ook een jong germanisme zijn.

Assuradeur znw. Onder invloed van spa. asegurador vervormd uit assureur, dat in ordonnantiën van 1563 en 1570 = “assuradeur” voorkomt en uit fr. assureur is ontleend.

Astrant(ig) bnw. Ook fri. en ndd. Uit assurant, in de bet. van fr. assuré “brutaal”.

Aterling znw. Zie etter. Bij Kil. reeds ”aeterlinck. Holl. j. bastaerd”, in deze bet. ook nog 17-eeuwsch. Hieruit ontwikkelde zich “onverlaat, gemeene kerel”. Een nog oudere bet. heeft ndd. (18. eeuw) etterling “jonge hond van ’t eerste nest, dier waarvan men meent dat de beet giftig is”.

I Atlas (boek met kaarten). Internationaal woord, het eerst door Mercator in 1593 gebruikt. Deze noemde zijn kaartencollectie zoo naar den mythischen Atlas, koning van Mauretanië.—II Atlas (stofnaam) o. Internationaal woord. Reeds laat-mnl. en -mhd. Afkomstig van arab. aṭlas “glad”.

Auctie znw., nog niet bij Kil. Evenals hd. auktion v. direct uit lat. auctio en niet uit fr. auction, dat niet de bet. “auctie” heeft.

Augurk znw., nog niet bij Kil. De oudnnl. vorm agurk komt nog maar zelden voor. Evenals hd. gurke v. (waaruit zw. gurke), 17.-eeuwsch hd. ook ajurke, aujurke, ndd. agurke (waaruit de agurk), augurke (ode. augurk) “komkommer” via het Oostnnd. in de 16. eeuw ontleend uit po. ogórek, čech. okurka; het[23] slav. woord (russ. oguréts) is met een slav. suffix gevormd van laat-gr. ἀγγούριον “watermeloen”. Fri. augurchjen, eng. gherkin “augurk” komen uit het Ndl.

Avegaar znw., uit navegaar (vgl. I aak). Mnl. nāvegheer, nāvegher, ook reeds āvegheer en in holl. teksten nāvegaer m. De vorm op -aar is holl.-fri. Dial. (zaansch) komt auwəgər, aukər voor = mnl. (n)āvegher. Een oud-germ. samenst. van *naƀô- (zie naaf) en *ʒaiza- (zie elger), dus oorspr. “priem om naven te boren” en dan “groote boor”. = ohd. nabagêr, nabugêr m. (nhd. dial. naber, näber), os. naƀugêr, ags. nafugâr (eng. auger), on. nafarr m. “boor”. Uit het Germ. finsch napakaira “id.”.

Averechts bijw. Met bijwoordelijke s van mnl. āverecht (zelden reeds āverechts) “omver, andersom, verkeerd”, als bnw. “verkeerd, omgekeerd”. Een samenst. van āve (= af) en recht, evenzoo mnd. āverecht (weverijterm).—Averechtsch bnw. is uit ’t bijw. voortgekomen.

Averij znw., sedert Kil. De vorm haverij is door volksetymologie (havenen) ontstaan; klankwettige dial. h-prothese kan meegewerkt hebben. Uit port. it. avaria (via fr. avarie?) en dit van arab. ʿawâr “gebrek”.

Averuit (artemisia abrotanum), mnl. aefruy, āveruy v. Evenals ohd. avereʒa (-za?), avarûʒa v. (nhd. dial. afrusch m.), os. aƀarata, aƀerûthe, mnd. āverrûte v. (waaruit nhd. aberraute), laat-mhd. eberitz (nhd. ebritz) m. uit gr.-lat. abrotanum ontleend; daarna vervormd, deels door volksetymologie. De bijvorm averoon, mnl. āverône v. is via fr. aurone ontleend.

Avond znw., mnl. âvont, âvent (d) m. = onfr. âvont, âvant, ohd. âbunt, âbant (nhd. abend), os. âƀand, ags. æ̂fen (-en voor -end naar morgen, evenals north. êfern -ern naar undern “voormiddag” heeft; eng. eve) m. “avond”. De vergelijking met on. aptann, eptann m. “avond, namiddag” wijst er op, dat wgerm. *âƀanda-, oergerm. *êƀanða- (-unða-) ƀ uit pt heeft evenals germ. *seƀun (II zeven). De auslaut van de on. woorden kan als die van ags. æ̂fen verklaard worden. Minder waarsch. is, dat de wgerm. stamvorm een jongere -d zou hebben. De uitgang -anða-, -unða- herinnert aan dien van oi. hemantá- “winter”, vasantá- “lente”: zulke woorden op -n-to- zijn uit stammen op -n- (of heteroclitisch n: r) gevormd. Wij komen zoo tot idg. grondvormen *epton-tó-, *opton-tó-, met vrddhi *êpton-tó-. Het eerste lid zou een afl. van de voorzetselbasis ep-, op- kunnen zijn, waarvan o.a. got. iftuma “de volgende”, lat. ob “tegen, tegemoet”, osk. úp “bij”, gr. ἐπí, ἔπι “op, bij, aan”, lit. apë̃ “om, van (lat. de)”, alb. épεrε “boven zijnd”, arm. ev “en, ook”, oi. ápi “ook”, av. aipi “ook, naar, op, tot, aan”. Voor de bet. vgl. gr. ὀψέ “laat”, ier. s-iar “westelijk”, an-iar “van het westen” (*epero-m). Men heeft ook aan samenhang van avond met af, achter gedacht: semantisch zou dat kunnen, maar het ē̆-o-vocalisme is een bezwaar. Wel kan deze woordfamilie op ’t consonantisme van on. aptann en ags. æftentîd “avond” invloed gehad hebben.

Avontuur znw. o., mnl. aventûre, avontûre v. “vreemd geval, gevaar, toeval, geluk, lot, verhaal”. Uit fr. aventure en dit uit vulgairlat. adventûra “voorval”, van advenîre “gebeuren”. De o van ’t ndl. woord is door volksetymologie opgekomen (avond); Kil. avend-ure is een proeve van etymologische spelling. Ook mhd. âventiure v. (nhd. abenteuer o.), mnd. eventûr(e) v. o. met dgl. bett. als ’t mnl. woord komen uit ’t Fr. Het nnl. geslacht is onder invloed van uur opgekomen, dat eveneens van vrouwelijk onzijdig is geworden.

Azen ww., mnl. âsen “zich voeden, voeden, als voedsel geven, zwelgen, van lokaas voorzien”. Van I aas. Vgl. mnd. âsen “voeden”, oostfri. êsen “voeden, eten, voedsel zoeken”.

Azijn znw. Uit mnl. aisijn (naast aisijl, aisel) m. Voor ndl. a uit ai vòòr den toon vgl. fazant, fantasie. Dit woord is evenals ags. aisîl (eng. eisel) uit ofr. aisil, aisin ontleend, dat vermoedelijk (hoewel niet zuiver klankwettig) op lat. acêtum “wijnazijn” teruggaat. In verschillende ndl. dialecten komt voor “azijn” ’t woord eek, edik[24] = mnl. ēdic voor. Dit woord is algemeen germaansch en reeds vroeg, wsch. in denzelfden tijd als wijn, uit lat. acêtum resp. rom. *acêdu ontleend. De grootendeels belangrijk veranderde germ. vormen kunnen formeel in de vlg. groepen gerangschikt worden: 1. got. akeit o., minder wsch. akeits m. (waaruit obg. ocĭtŭ), zwits. achiss, echiss; 2. ohd. eʒʒī̆h (hh) m. (nhd. essig), mnd. ētik m., Kil. etick; dezelfde vorm resp. ettik in Twente en een deel van Drente en Groningen; 3. os. ekid m. of o., ags. eced m. en o.; 4. mnl. ēdic m. Voor de behandeling van de lat.-rom. ê vgl. munt. De ngerm. vormen, on. edik o., ozw. ättikia, zw. ättika, de. eddike, edik zijn uit zuidelijker germ. dialecten ontleend.

Azuur znw. o., mnl. asuer, aysuer o. Uit ofr. asur, aisur (fr. azur), dat evenals it. azzurro, spa. azul een anlaut-l verloren heeft, doordat die als artikel werd gevoeld. Mnl. lasuer (o.? nnl. lazuur o.), mhd. lâsûr, lâzûr o. (nhd. lasur, lazur m.) is uit ’t voorhistorische Rom. of—veeleer—uit het Mlat. overgenomen. Het woord is afkomstig van perz.-arab. lâzuward “lazuursteen”.

B

Baadje znw. o., eerst nnl. Uit mal. badjoe “een soort buisje”.

I Baai (wollen stof), mnl. reeds baeysch lāken o. Wsch. heeft toen ook *baye wel bestaan. Evenals mnd. baie “baai”, eng. bay, baize (ospr. mv.) uit ofr. baie (fr. boie). Of dit van bai (< lat. badius) “bruinrood” komt, is onzeker. Jongere ontll. (uit het Ndl. Ndd. Fr.) zijn hd. boi m., de. bai, zw. boj.

II Baai (zeeboezem), sedert Kil.: baeye. Uit fr. baie of it. baja “baai, haven”, die evenals spa. port. bahia door sommigen uit een bask. baia “haven”, door anderen uit den romeinschen plaatsnaam Bâiae, die ook = Sinus Bâianus voorkomt, worden afgeleid. Uit het Fr. ook eng. bay, en uit het Ndl. via het Ndd. hd. bai m., de. bai. Opvallend is de bet. “venster, gat in een muur” van fr. baie, mhd. beie v., eng. bay.—Als 't eerste lid van baaizout o. “zeezout”, mnl. bayesout, bayes sout o., baye (v.?) terecht voor een afl. van baye = “golf van Biscaje” wordt gehouden, moet baye “baai” reeds in ’t Mnl. bestaan hebben. Vgl. eng. baysalt, hd. bai-, boisalz o.

III Baai (tabak). Uit baai-tabak. Het eerste lid is wellicht II baai. De baai-tabak komt uit Maryland, aan de baai van Chesapeake.

Baaierd (chaos, verwarring), sedert de 17e eeuw, ook in den vorm beyert; blijkbaar vooral bij holl. schrijvers. Het woord hoorde dus misschien ospr. in de holl.-fri. diall. thuis. Of is ’t identisch met oud-nndl. baaierd, beiaard (niet alleen holl.-fri.!) “passantenhuis, asyl”, mnl. bei(a)er(t) m. “ziekenzaal, eetzaal in een ziekenhuis, passantenhuis”? Voor de bet. vgl. dan fri. beijer “asyl”: beijerboel “rommel, wanordelijke boel” (Hardegarijp), beijerts libben “geweldig lawaai”, gron. 't is al in de baiert “in de war, in wanorde”. De bet. “chaos” is dan secundair. Of kunnen er wellicht twee woorden door elkaar geloopen zijn, een algemeen-ndl. = “asyl” en een fri.-holl. = “verwarde boel”? De etymologie van dit tweede nomen is echter duister; de -t, -d kan secundair zijn, vgl. II -aard. Baaierd “asyl” wordt wel van ofr. bayart “id.” afgeleid (onzeker).

Baak znw. Een jongere, in het Mnl. zeldzame vorm, naast het oudere baken o., mnl. bâken o. “signaal, seinvuur, fakkel” ontstaan, doordat men in -en den mv.-uitgang voelde. Bâken is een oorspr. fri. woord met â uit germ. au; ofri. komen voor bêken, bâken o. “vuursignaal, bruiloftsvuur, fakkel”. De â-vorm is speciaal owfri., in het Mnl. evenwel komt een Amsterdamsch beeken “vuren” voor en in N.Holl. bestaat nog bêkən, bêkŭm “vuur in de open lucht, vreugdevuur”, bêkənə, bêkŭmə “vuren, branden” (speciaal op S. Matthijs, Paschen e. dgl.) ’t Tegenwoordige Fri. kent beaken en bêken “baken”. Ofri. bâken, bêken = mnl. bôken (-ijn) o. “teeken”, ohd. bouhhan o. “teeken, signaal”, os. bôkan,

Colofon

Beschikbaarheid

Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op www.gutenberg.org.

Dit eBoek is geproduceerd door Jeroen Hellingman en het on-line gedistribueerd correctie team op www.pgdp.net.

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org.

This eBook is produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at www.pgdp.net.

Codering

Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn gecorrigeerd. Dergelijke correcties zijn gemarkeerd met het corr-element.

Hoewel in het origineel laag liggende aanhalingstekens openen gebruikt, zijn deze in dit bestand gecodeerd met “. Geneste dubbele aanhalingstekens zijn stilzwijgend veranderd in enkele aanhalingstekens.

Documentgeschiedenis

  1. 2008-08-28 Begonnen.

Externe Referenties

Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.

Verbeteringen

De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:

Plaats Bron Verbetering
Bladzijde 3 [Niet in bron] ,
Bladzijde 4 [Niet in bron] -
Bladzijde 6 von van
Bladzijde 6 [Niet in bron] (
Bladzijde 6 nl. Mnl.
Bladzijde 7 [Niet in bron] -
Bladzijde 8 . ,
Bladzijde 9 . ,
Bladzijde 9 ôr nâdôr
Bladzijde 12 [Niet in bron] )
Bladzijde 13 [Niet in bron] -
Bladzijde 16 . ,
Bladzijde 16 [Niet in bron] .
Bladzijde 18 ἀγκύλο ς ἀγκύλος
Bladzijde 19 vóòr” vóór
Bladzijde 19 [Niet in bron] -
Bladzijde 21 . ,
Bladzijde 22 von van